Archive for the ‘Sara Kee’ Category

Als Bee het maar leuk vindt

donderdag, mei 1st, 2008

Ik denk niet dat er een dag in het jaar is dat er zoveel bier wordt omgezet in urine als op koninginnedag. Of koniginnedag zoals de echt Mokumer dat zegt. De hoofdstad wordt dan ook professioneel ondergezeken door zowel de mannelijke als de vrouwelijke bevolking (nou ja, eigenlijk vooral door de bezoekers van buiten de stad), die zo apelam zijn dat alle doordeweekse huisvrouwenschaamte als sneeuw voor de zon  verdwijnt en er overal gehurkt wordt. Uit onderzoek blijkt dat vooral tussen geparkeerde auto’s een veelgekozen plaats is.

En geef ze eens ongelijk. Toilleten zijn een schaars goed als je je met een paar honderduizend mensen in de Jordaan bevindt en bovendien zodanig smerig dat je het plassen zo lang mogelijk uitsteld, met als gevolg dat aansluiten in de veel te lange rij gewoonweg niet meer kan en er naar elders moet worden uitgeweken.

Ik, helaas lang niet dronken genoeg om de sluitspieren en plein publiek te ontspannen, was verdoemd tot het opzoeken van een wc in de onderaardse gewelven van een groezelig cafe. Aldaar schemerde het mij voor de ogen van al het oranje. Zeker twintig lallende huismoeders voor me. Hell.

 Ik was bijna aan de beurt toen de dame naast me kans zag tot een gesprek. ‘Hee, je hebt helemaal niets oranjes aan!’ kirde ze in mijn oor. Mijn gezicht verstrakte, mijn maag draaide zich om, maar met een ultieme krachtsinspanning wist ik een flauwe glimlach te voorschijn te halen en lauwtjes te wijzen op de zonnebril die aan mij kraag hing. Oranje. Of dit afdoende was, ik weet het niet, maar voor mij opende zich een toilet en ik dook naar binnen. 

Eenmaal buiten liet ik mij weer verder hossen door de menigte, kijkend naar alle stalletjes van mensen die denken een slaatje te kunnen slaan uit andermans spendeerdrift. Zo ook een vriend van mij. Hij stond op een brug aan de Elandsgracht. Met zijn moeder, de lieverd, die komt elk jaar mee om hem te helpen, want hij is een koninginnedagveteraan. ‘Ooit wordt ie nog eens rijk’ vertrouwde zij mij toe terwijl ze hem, stralend van moederliefde aankeek, terwijl hij het spelletje nog eens uitlegde aan een ladderzatte toerist.

Want, ja, hij had een ‘spelletje bedacht’. Veel denkwerk kan het niet gekost hebben, want het ging als volgt: een dartbord met drie pijlen en een streep op de brug om van achter te gooien. Een vijfje in het midden van het dartbord. Inzet vijf euro, drie keer het vijfje raken is 12,50 euro. Maar, en nu komt ie, als je niet wint krijg je toch een biertje. Een goed koud biertje, ze lagen met honderden klaar in een winkelwagentje. Oftewel, want iedereen gooide natuurlijk mis, hij stond bier te verkopen voor vijf euro per blikje.  Niemand die er erg in had. Sterker, iedereen was dolblij.

-          ‘Ah, jammer, mis. Maar… alsjeblieft, je biertje.’

-          ‘Lekker. Bier’

Uiteindelijk gooide er dan toch iemand raak, een Australier. ‘Maar’, zei die, ‘laat dat geld maar, geef me liever twee biertjes’. Het lijkt makkelijk geld verdienen, maar om eerlijk te zijn, je moet het maar kunnen: oud Hollandsch gezellig doen. Een hele dag lang.

Drie maanden

maandag, april 21st, 2008

Terwijl Freek Vielen jaloersmakend hard timmert aan de weg (de figuurlijke weg uiteraard, want in het werkelijke bestaan zou ik Freek onder geen beding met een hamer in de hand willen aantreffen), vroeg u zich wellicht af waar ik was gebeleven. Misschien ook wel niet, u surft immers op freekvielen.nl, en ondanks alle mooie beloftes over het verschijnen van ‘de vrijdag’ , zal dat voorlopig nog wel even zo blijven. Enfin, de vraag of ik gemist werd –waar bleven de smeekbrieven van fans?- is niet de meest prangende. Wat dan wel? 

Waar ik was bijvoorbeeld. Ach, dat is ook zo wat. Zijn of niet te zijn, dát is de vraag. Niet waar te zijn, zover ik uit de mij aangeleerde canon kan citeren. Dus dan zal ook dat wel niet van bijzonder interessante waarde zijn. Ik ben er weer en dat telt. Maanden onbenutte schrijversenergie bruisen in mij om blank papier met inkt te besmeuren. Bovendien is het niet minder dan noodzaak om te schijven.  

Want, ik schrijf, dus ik besta. Een universele waarheid die geldt op het inmense wereld wijde web. Immers, wie niets produceert, stagneert ook wat betreft hits op Google: in deze tijden dé schaal om je bestaansrecht te botvieren. Geen hits, geen leven. Belangrijker nog, het vermindert je kansen op een pagina in Wikipedia –let wel, een door een ander geschreven pagina- aanzienlijk. De afgelopen drie maanden zullen de boeken in gaan als leeg. Erger, zij zullen de boeken niet in gaan. Ongedocumenteert zullen zij blijven. Het zal zijn of ik in die drie waanzinnige maanden, niets beleefd heb, niets gezegd, niets gedacht. 

Over enkele jaren zal ook ik mij afvragen: wat deed ik toch die drie maanden. Had ik soms een writersblock? Vast niet, dan zou ik toch zeker iets opgeschreven hebben dat daar aan zou herinneren. Zijn er soms dingen gebeurd die het daglicht niet konden verdragen? Heb ik niet een geheim dagboek bijgehouden en ben ik dat soms kwijtgeraakt? Onverdraaglijk zou de gedachte zijn dat een stiekeme lezer meer over mijn verleden zou weten dan ik zelf.  

Maar, zo stel ik mijzelf gerust, de vinder van dat manifest zal ongetwijfeld zijn voordeel doen en het op internet publiek maken. Misschien met nog een paar niets verhullende foto’s van mij er bij. Als hij goed zoekt moeten die nog wel op de telefoon van deze of gene te vinden zijn. Want zo gaan die dingen in dit schaamteloze tijdperk. Alles is van iedereen en iedereen weet alles van elkaar. Privacy is alleen voor wie iets te verbergen heeft en die deugt bij voorbaat niet.  

Het gaat ver om van mezelf te zeggen dat ik deug, maar verbergen doe ik niet. Dus maak ik me geen zorgen. Het waren drie prachtige maanden en dat mag iedereen weten.

Ode aan de fiets

dinsdag, januari 22nd, 2008

Nou ben ik eigenlijk niet zo van dingen. Van spullen. Ik ben niet zo’n materialist, zoals sommigen dat wel noemen. Men kan mij immer en tot vervelens toe horen herhalen: ‘spullen heb je niet, spullen hebben jou’. Een waarheid als een koe, daar ben ik zeker van. Maar ik bedoel er niet mee te zeggen dat men zich nergens aan zou mogen hechten. Integendeel, sommige spullen moet je koesteren, al is het nog zulke rotzooi. 

Zo heb ik zelf ook wat gebruiksvoorwerpen, die gebukt gaan onder een zware emotionele lading. Mijn matras is daar een mooi voorbeeld van. Niet alleen omdat dat het eerste volwassenmensending was dat ik voor mezelf kocht, of omdat hij mij al jaren goede dienst bewijst, of omdat ik er een derde van mijn leven op doorbreng, maar toch wel het meest omdat hij voor zeker een kwart uit mij bestaat. Mijn huidcellen, mijn DNA. Maar meer nog dan van mijn matras, hou ik van mijn rode capuchontrui met blauwe strepen met een of ander garage- of motorlogo, die ik van Tamir gepikt heb. 

Het leuke van een trui van een ander pikken, in mijn geval eigenlijk altijd van een jongen, is dat je zo’n trui nooit voor jezelf zou kopen. Hij is te groot en veels te stoer. Maar hij past wel moeiteloos over al mijn andere truien. En twee truien is ’s winters in mijn huis geen overbodige luxe. Bovendien herinnert hij inmiddels aan al leuke dingen die ik er in meegemaakt heb –ik heb er een week ruigoord mee overleeft en al vele koude vakantienachten. En natuurlijk herinnert hij aan Tamir, alhoewel die er zelf nog geen tiende van de tijd dat ik hem gedragen heb, mee gelopen heeft. Maar meer dan van die trui hield ik van iets anders. 

Hield, want die tijd is niet meer. Mijn roze, roestige racefiets zal geen meter meer afleggen. Ik wist dat het moment ging komen, ik wist het al heel lang, maar keek stoicijns de andere kant uit. Toen het gebeurde wist ik dat er maar één iemand was die hier schuld aan had. Ik kon mezelf een dag niet recht in de ogen kijken, tot ik mij besefte dat de fiets al verroest was geweest toen wij haar bijna twee jaar geleden vonden. Nou ja, vinden is een groot woord. De fiets lag er duidelijk moederziel alleen bij, volgens mijn goede vriend Thomas, die oog heeft voor dat soort zaken, al sinds geruime tijd. En wij besloten dat het zo niet langer kon. In het holst van de nacht bevrijdden wij haar van dit tragisch lot, al moesten we het voorwiel, dat door een arglistig onbenul was bevestigd aan een hek, daarvoor opofferen. Gezien het kliksysteem van de wielen was dit een simpele opgave.  

De fiets werd gepamperd en vertroeteld, een andere voorwiel werd gevonden en tot mijn verbazing deed Thomas mij de fiets kado. Al jaren keek ik naar hem zoals hij, zijn kont hoger dan zijn hoofd, ongemakkelijk naast mij zwabberend, omdat ik veel te weinig vaart maakte voor zijn snelle fiets, er flitsend uit zag. Nu zou eenzelfde lot mij ten deel vallen. Binnen een week was ik om. Zag ik de wereld anders. Een half uur fietsen was ineens twintig minuten. Maar beter nog dan dat, het werden twintig leuke minuten. Twintig razende minuten, waarin je als een koning over de weg suisde, tussen iedereen door, hopend dat ze je niet zouden zien om dan te schrikken en in doodsangst stokstijf te blijven staan, je aankijkend als aangeschoten wild. 

Ik wist al lang dat de plek waar de stang aangrijpt onder de zadelpen belachelijk aan het roesten was. Hier liep wat ooit een lasnaad moet zijn geweest. Langzaam vrat het regenwater hem op en veranderde alles in roodbruine drab. Vaak genoeg heb ik zelf op die stang gezeten. Ik aan het stuur, een ander aan het trappen, zijn kont op het zadel, zijn handen op mijn schouders (ik ben meer het type dat zich laat fietsen, als het daarop aankomt). Er komt wat acrobatiek bij kijken, maar dan kom je wel thuis, zelfs diep in de nacht. Maar, al ben ik licht, voor mijn stang was het te zwaar. Kort geleden brak hij af.  

Ik heb nu een nieuwe racefiets, een paarse. Maar het zal nooit hetzelfde zijn. De roze fiets staat in de achtertuin. Het zal nog wel even duren voor ik hem van zijn goede onderdelen zal kunnen ontdoen en dan misschien, uiteindelijk, als het echt moet, mij van het roze, roestige frame zal kunnen scheiden.

aan de andere kant van de draad

dinsdag, januari 1st, 2008

De wond onder mijn navel zit al mooi dicht. Vlak ernaast steekt een hard wit draadje een paar milimeter de lucht in, zoals een ijzeren stukje remkabel kan uitsteken bij de remmen op een racefiets, het prikt door mijn T-shirt heen. Er zit een knoopje in. Hier is de chirurg begonnen met hechten. Ik pak het knoopje vast en trek het omhoog, vlak er onder knip ik de draad af. Voor mijn ogen verdwijnt het draad onder de knoop mijn buik in. Er blijft een klein gaatje over, de huid er om heen is een beetje rood.

Ik verplaats mijn aandacht naar de volgende wond. Deze is wat minder mooi geheeld. Aan de oppervlakte is hij licht ontstoken. Ook hier steekt er hechtdraad naar boven. Maar geen knoop. Ik trek voorzichtig aan de draad en die geeft mee. Heel, heel, langzaam trek ik verder. Het doet geen pijn, wel word ik een beetje wee van het gevoel. Of het is enkel de gedachte, ik weet het niet. Kriebel aan mijn ribben, een bizarre sensatie, de haren op mijn rug –zo ik die heb- staan recht overeind. Met verbazing kijk ik naar het touw, eerst wit, dan rood, dat mijn buik prijsgeeft.

Terwijl ik voorzichtig verder trek, lijkt het touw te groeien en het perspectief te draaien. In plaats van naar beneden kijk ik omhoog. Ik klim het touw in, arm voor arm hijs ik mezelf richting de wond, die zo van dichtbij bezien steeds meer gaat lijken op een etterend gezwel. Met een laatste krachtinspanning –ik ben nog wat wankel- overspan ik de overgebleven meters. Mijn ene hand strekt ik uit om de korst vast te pakken. Op dat moment verlaat het laatste stukje hechtdraad mijn lijf. Het touw ontglipt me en valt naar beneden.  Ik grijp me vast en, wonder boven wonder, de korst houdt.

Bungelend aan één arm tussen buik en aarde –ik ben niet zwaar en na de operatie zo mogelijk nog lichter- kijk ik omhoog. Recht in het donkere gat dat de plaats van het touw heeft ingenomen. Het ruikt… niet fris, en dan zeg ik het mild. Sinds de narcose ruik ik bijzonder goed, maar dat had me nu gestolen kunnen worden. Ik hap door mijn mond naar adem en vul mijn longen met lucht. Dan werp ik met een zwaai mijn andere arm omhoog. Zodra mijn vingers het gat bereiken voel ik hoe het zuigt. Zonder enige moeite verslaat het de zwaartekracht en trekt het mijn arm naar binnen. En ik er achter aan. Mijn schouder, mijn hoofd, mijn andere arm, strak langs mijn lijf geklemd. De warme kleverige diepte in. Mijn benen, mijn tenen. Ik wiebel ze nog eens en ik verdwijn.

Memoirs of a gallstone

zondag, december 16th, 2007

Ik was nog wat versuft. Enerzijds door de operatie, anderzijds door de extra morfine die ik zojuist had gekregen. Niet dat ik veel pijn had, maar de kans om morfine uit te proberen in zo’n verzorgde toestand, zou zich niet snel meer aandienen. Men had mij van te voren gezegd dat ik bij enig ongemak er maar om hoefde te vragen. Ik vind dat je zulke kansen moet aangrijpen. Terwijl ik mij dus zeer op mijn gemak voelde in de ietwat steriele omgeving, kwam er een verpleegster binnen met een glazen potje in haar hand. Ik vermoedde al wat. 

Voor de operatie had ik gevraagd of het mogelijk zou zijn mijn galblaas op sterk water mee naar huis te krijgen. Een ongebruikelijke vraag, zo bleek. Dat verbaasde mij. Het lijkt me toch niet meer dan logisch dat ik een vitaal onderdeel dat mij 23 jaar trouw heeft gediend –kon hij er wat aan doen dat er zich stenen kwamen nestelen?- niet zomaar achter laat om zonder enige vorm van ritueel vernietigd te worden in de krochten van het academisch ziekenhuis. Mij werden vage toezeggingen gedaan, terwijl ik al bezig was weg te zinken in een diepe slaap.  

Vol hoop keek ik de verpleegster aan. Ik schatte haar zo’n 30 jaar. Ze had opgestoken blond haar en was wat aan de mollige kant, wel had ze een gezonde kleur. Ongetwijfeld was het contrast met mij groot; dun en bleekjes in dit bed. Daarentegen leek zij me in een chagerijnige bui en ik was toevallig met het goede been uit bed gestapt –nou ja, u snapt- en had wat dat betreft een streepje op haar voor. ‘Kijkt u eens’. Ze overhandigde me het potje en draaide zich meteen weer om. Toen ik eenmaal goed gekeken had en begreep hoe zeer ik hier verkeerd begrepen was, had zij zich al uit de voeten gemaakt.  

In mijn hand had ik een potje met welgeteld acht galstenen. De etterbakken. Letterlijk trouwens. Galstenen bestaan volgens mij voor 80% uit cholesterol. Wat cholesterol precies betekent weet ik eigenlijk niet, maar ik geloof dat het een soort gelige dikke prut is die in je aderen komt en de hele boel verstopt. Ernstig smerig. Mijn galstenen waren keiharde knikkers. Op zich een prestatie dat mijn lijf zulke gedochten heeft weten te maken, maar wat moet ik er mee? 

Even twijfelde ik om de telefoon naast mijn bed te pakken en achter mijn galblaas aan te gaan bellen. Te laat, besefte ik mij. Die lag nu natuurlijk al in een bak met 200 andere galblazen. De kans dat ik hem zou herkennen leek me nihil. Gek dat je jezelf zo slecht kent. Zo peinsde ik wat verder, nog altijd verkerend in een prettig staat van roes. Ik zette de galstenen op het nachtkastje en probeerde te denken over een goede bestemming voor hen.  

Knikkers was het enige dat in mij op kwam, maar gezien hun wat hoekige uiterlijk, leken ze weinig geschikt voor die taak. Dat deed mij denken aan die keer dat op school mijn knikkers gepikt waren. Ik zat in groep vijf en tijdens de les moesten wij onze knikkers in een doos voorin de klas leggen, zodat je er niet de hele tijd mee kon spelen. In de pauze pakte je ze er dan uit. Maar op een dag waren de mijne weg. Het ging hier slechts om een paar ‘bommen’en wat kleine knikkertjes. Ik vond het niet zo erg, maar zei het na schooltijd wel tegen de juf. Die vond het wel heel erg en ze zou er de volgende dag wel wat van zeggen. 

Dus. De volgende dag. Ik was net de klas binnen en het eerste kwartier liep iedereen dan meestal als een dolle te keten. Onze juf –die bedeeld was met de onmogelijke achternaam Put- was er niet eentje die goed orde kon houden. Ik stond bij de vensterbank, waar allemaal planten in stonden en keek naar buiten. Ik kreeg van een voorbijrennende klasgenoot een duw in mijn rug en schoot naar voren. Daarbij kreeg ik een stokje in mijn oog dat in één van de plantenbakken stond. Ik denk dat het diepere doel van het stokje was dat de plant daar tegen aan kan groeien, maar in ieder geval stond het er flink in de weg. Het deed zeer. Ik had mijn oog open gehad. Het oog was rood en traande als een gek. Ik ging maar achter mijn tafeltje zitten wachten tot het over ging.  

Toen begonnen we. Meteen stak juf Put van wal met een strenge toespraak over mijn gestolen knikkers. Ineens had ik door dat iedereen me aan zal te kijken. Uit mijn ene oog stroomden tranen. Dat mijn andere vrijwel droog was, viel niemand op. Toen werd er iets in werking gezet dat ik niet had kunnen voorzien. De één na de ander kwam mij een knikker uit zijn eigen verzameling brengen. Niet zomaar een knikker. Ik kreeg zeker 25 joekels van knikkers. Van het ene op het andere moment had ik de meest gewilde knikker verzameling van de klas. Dankzij deze daad van algemeen medelijden in gang gezet door mijn tranend oog. Wijselijk hield ik mijn mond.  

De volgende pauze verloor ik ze vast allemaal weer: knikkeren was niet bepaald mijn specialiteit. Maar het was bijzonder om mee te maken. Het leert je wat over de kracht van de traan. Helaas kan ik niet op commando huilen, anders zou ik het zeker vaker inzetten. En zo dacht ik verder over groep vijf met juf Put, die dat zelfde jaar een volledige zenuwinzinking zou meemaken. Goed spul die morfine, dacht ik nog, toen ik een afslag nam naar de volgende herinnering.

Images

dinsdag, december 4th, 2007

Brand in Images? De schrik slaat me om het hart. Ik was er nota bene vanochtend nog langs gefietst en toen leek er niks aan de hand. Ik rond snel het telefoongesprek af en ga op internet kijken of ik meer aan de weet kan komen. Al snel blijkt het vals alarm. Een klein brandje in de ruimte achter zaal twee, wel mijn favoriete zaal, bracht zaterdagmorgen onrust. Maar gelukkig geen grote schade, want op zondag worden de voorstellingen al weer hervat. 

Dit filmcentrum vormde het middelpunt van mijn middelbare schooljaren. Weliswaar heette het eerst nog filmcentrum Poelestraat en kreeg het pas later het veel chiquer klinkende Images (op z’n Frans uitspreken) als naam. Elke vrijdag zat ik er klaar voor de Moviezone, een programma met elke week een andere cultfilm of klassieker, om de jeugd te helpen wat filmexpertise op te doen. Aan mij was het wel besteed. Thuis was ik druk doende met het aanleggen van een videocollectie en droomde ik dat ik ooit een regisseur als Tarantino zou zijn.  

Het aardse paradijs bereikte ik toen mij in de vierde klas een pas werd uitgereikt waarmee ik gratis naar alle films mocht.  Ik was namelijk toegetreden tot het JUB. De afkorting voor Jongeren UitBureau. Het idee was dat wij gratis films, voorstellingen, concerten en kunst mochten bezoeken en als tegenprestatie medescholieren zouden enthousiastmeren om ook te gaan. Een paar keer per jaar moesten wij dan op school kaartjes met flinke kortingen aan de man proberen te brengen.  

Ik was een goede ambassadeur in die zin dat ik mijn taak om alle films te zien bijzonder serieus nam. Ik knipte wekelijks de filmladder uit de Groninger Gezinsbode en bewaarde die zorgvuldig in mijn portemonnee. Met een dikke marker streepte ik de films door die ik al gezien had. In geval van een plotseling tussenuur of een golf van verveling, pakte ik hem met een vloeiende beweging uit mijn zak en toog naar de eerste de beste film. Wanneer ik door de laatste film op het lijstje een streep kon zetten –iets dat steeds vaker voorkwam- maakte een diep gevoel van tevredenheid zich van mij meester.  

Natuurlijk zag ik in die tijd een heleboel films die ik net zo goed niet had kunnen zien en die mij ook zeker niet bijgebleven zijn. Maar juist omdat ik overal heen ging, ontdekte ik een genre waar ik anders zeker geen aandacht voor gehad zou hebben: de documentaire. Vrijwel altijd verrassend en interessant, des te meer omdat ze over mensen of werelden gaan die je niet kent. Wel kost het altijd enige inspanning om je er toe te zetten er naar te kijken. Hoeveel zin heb je om de laatste drie inwoners van een verlaten Russisch dorp te zien?  

Maar goed, bracht ik als ambassadeur dit inzicht ook aan anderen over? Nauwelijks eigenlijk. Ik had het ook al zo verdomd druk met al die films zien. De kaartverkoop wou nooit zo vlotten. Niet alleen bij ons op school, maar in heel Groningen. Welke verveelde puber wil er nou met korting naar het Groninger Museum? Met een beetje pech had je toch al wel een schooluitstapje daar naar toe. Het vak CKV verplichtte twee filmrecensies van verantwoorde films, dus van onze kortingsbonnen kwamen we wel af. Maar de verkoopcijfers bleven hopeloos achter.  

Enfin, het JUB is niet langer. Schouwburg, bioscopen en musea zagen niet langer nut in het weggeven van kaarten. Bij deze mijn excuses aan een generatie scholieren die het bijzondere voorrecht van gratis films moet missen. Bij Images kon ik nog lang na mijn afscheid van school –en het JUB- gratis naar de film. Ze kenden me daar inmiddels zo goed, dat niemand meer naar mijn pas vroeg. Ja, ik tel mijn zegeningen.

Boete

woensdag, november 28th, 2007

-          Hè, heet jij Margaretha?

-          Ja, als tweede naam. Wist je niet, he?

-          Nee, grappig. Ik ben gewoon Sanne

-          Wat is eigenlijk haar achternaam? Kan ik daar eindelijk een achter komen. 

De agent, die Sanne’s OV staat over te pennen, kijkt me geïrriteerd aan. Hij zegt niets. Het jonkie, met mijn OV, verbergt zijn slappe glimlach en schrijft ijverig door. Hij wil weten waar ik geboren ben en daarna mijn adres. Dat staat er natuurlijk niet op.

In feite hebben we mazzel, want allebei geen ID bij ons. ‘Nee meneer, ik heb geen idee’ zeg ik nog jolig. Ik wordt altijd een beetje vervelend van autoriteit. Het is ook zo kinderachtig. We zijn niet eens in een fuik gelopen. Ze zaten gewoon in de auto en reden achter op ons. Ze zijn speciaal voor ons gestopt. Dat zouden ze moeten verbieden,  het verpest het hele spelletje.

Sinds de klok om is, heb ik praktisch altijd lichtjes op mijn fiets. Dit is de tijd van het jaar dat ze controleren en het is zonde om zo je geld weg te gooien. Alleen heb ik ze vandaag aan een huisgenoot uitgeleend. Wij zouden immers met de metro gaan en maar drie minuten fietsen. Dikke pech dus. Ik maak er nog een grapje over tegen Sanne, maar die agent denkt natuurlijk dat ik op subtiele wijze zijn sympathie probeer te veroveren. Gelijk heeft ie, de zeikerd.

Sanne heeft wel een voorlicht, maar krijgt toch een volledige boete. ‘Een halve boete kon vroeger wel, maar dat hebben ‘ze’ in de wet veranderd.’ Zegt onze knorrepot. ‘geef mij die boete dan maar’ probeer ik nog. ‘Ja, jij krijgt óók een boete’ bitcht hij terug zonder enig gevoel voor humor. Hoe dan ook, 20 euro vind ik nog te overzien. Zonder ID lopen kost eigenlijk 50 euro, dus ik probeer me verder schappelijk op te stellen. Al moet ik stiekem lachen om het overdreven gedoe.

Door het grapje over de namen, maak ik mezelf verdacht: als je naam fout geschreven is, hoef je geloof ik niet te betalen. Als ie achterdochtig wordt, dan kan het wel een duur worden. Maar gelukkig laat hij zich niet afleiden en vraagt vermoeid naar de reden van onze overtreding. Sanne begint weer over haar voorlamp, wat toch duidelijk wel een lichtje is en ik verwijs naar het uitlenen. In feite heb ik daardoor meegewerkt aan de meest veilige verkeerssituatie mogelijk. Zwijgend noteert hij dat. Vervolgens kijkt hij een beetje smalend naar mijn wat roestige, maar toch niet beroerde racefiets. ‘roze, denk ik’. Hoor ik hem mompelen. 

Na een riedeltje op de automatische piloot over de formele afhandeling van de boete krijgen we onze OV terug. Terwijl de agenten naar hun auto lopen, stap ik weer op en wil verder fietsen. Sanne trekt me van mijn fiets af. Of ik soms nog een boete wil? Dat lijkt me wel heel lullig. Maar je weet nooit. We lopen het laatste stukje. Ik ben al lang blij dat ik die agent zijn rothumeur niet heb overgenomen. Dat zou die willen. Wij gaan lekker naar een feestje. Hij moet vast de hele nacht nog werken.

Aardbei

donderdag, november 22nd, 2007

Persoonlijk heb ik het niet zo op aardbeien. Meestal zijn ze waterig of slap zoet, zo niet zuur. Erg gezond zijn ze volgens mij ook niet. Het is een van de meeste overschatte soorten fruit. Dat komt door zijn uiterlijk. Vals rood glimt hij je tegemoet, met zijn kleine pitjes en zijn groene kruintje. Het lieveheersbeestje onder de vruchten. Ja, van lieveheersbeestjes deugt ook niets, of ze nou twee, drie of vier stippen hebben, ze poepen allemaal op je hand. Al jong had ik deze stiekemerd door en noemde hem consequent heersbeestje. Dat ‘lieve’ maakte ik zelf wel uit.

Het is maar een opvatting, een mening, zo je wil. Een vrij onschuldige ook. Bovendien ben ik wel bereid om hem wat af te zwakken, mocht ik er iemand diep mee beledigen. Ook moet ik toegeven dat ik wel graag sinaasappel-aardbeiensap drink, wat mijn hartgrondige hekel enigszins ondermijnt.

 Ik wou maar zeggen: ik meen het niet zo hard als ik het zeg. Soms is het toch vooral gewoon wel lekker om iets eens even stevig onder woorden te brengen. Dat is alles.

Toch is het wel belangrijk om een mening te hebben en nog veel belangrijker om die te kunnen uiten. Ooit had ik een column getiteld ‘een eigen mening’ in de kwaliteitskrant de Aegis. Daar gaf ik elke kwartaal mijn radicale mening over de samenleving en riep ik mijn publiek op ook een mening te hebben. Ja, ik had vergaande idealen in die tijd. Freek en ik hebben toen heftige discussies gehad over het hebben van een mening. Volgens Freek was een mening helemaal niet zo heiligmakend. Zeker gezien het overgrote deel van de wereldbevolking er buitengewoon bizarre meningen op na houdt.

Een waarheid als een koe. Maar toch denk ik dat het hebben van een opinie een stap in de goede richting is. Alleen als je op de hoogte bent van je eigen argumenten, ben je ook vatbaar voor tegenargumenten. Een mening is nog geen dogma. Er is altijd de mogelijkheid om hem te herzien.

 Bovendien hoeft een opvatting niet per se negatief te zijn. Zo vind ik bijvoorbeeld de framboos een bijzonder lekker vruchtje. Al ziet hij er soms wat verfrommeld uit, platgedrukt onder in het doosje, dan nog behoudt hij zijn goede smaak. Het is het meest gezonde fruit dat er bestaat. Boordevol anti-oxidanten, voor wie er last heeft van roestvorming in het maagdarmkanaal. Als ik je op argumenten niet kan overtuigen, dan moet je er maar eens eentje proeven. Je smaakpapillen zullen op de slag de smaak van aardbeien vergeten.

De laatste doet het licht uit

dinsdag, november 13th, 2007

Terwijl Freek zich eens even lekker, en terecht, opwindt over de zogenaamde verdiensten van de verlichting, moet ik daar ook het een en ander over kwijt.Verlichting is een relatief begrip. In de westerse wereld verwijst het naar het vergaren van kennis, terwijl het in het Oosten eerder de overstijging van het kenbare inhoudt.  

Het zen-boeddhisme hangt aan elkaar van verhalen, de zogenaamde zen-koans, over hoe deze of gene tot verlichting kwam. Meestal betreft het een monnik, die zich onvermoeibaar in het zweet werkt, rustig een jaar of tien, met het herhalen van één enkele oefening. Bijvoorbeeld boogschieten, maar het kan ook de vloer vegen zijn of wc’s boenen. Buddha is immers overal. Dan ineens, in één moment, snapt hij het en vanaf dan schiet hij alle pijlen moeiteloos in de roos. Nee, splijt hij zelfs met de ene pijl de andere.  

Het verhaal dat me het meest is bijgebleven gaat als volgt: een monnik en zijn leerling maken een wandeling. Waarschijnlijk is het een uur of zes ‘s morgens, want je moet flink afzien voor een beetje verlichting. Ze zien een kudde ganzen in een weiland staan en terwijl ze verder lopen stijgen de ganzen op en vliegen richting de horizon. Wanneer de ganzen uit het zicht zijn, vraagt de pupil zijn meester: ‘Waar zijn de ganzen nu?’ Waarop de meester hem slaat – en behoorlijk hard ook, dat schijnt bij verlichting te horen- en zegt: ‘stommeling, ze zijn nog steeds hier’. Waarop de leerling tot verlichting komt.  

Waarschijnlijk is dit typisch zo’n geval van daar had je bij moeten zijn. Het is mij een raadsel hoe je vanuit deze lichtelijk absurde situatie een dieper inzicht zou kunnen krijgen. Maar ik ben dan ook geen verlichte geest. Wat niet wil zeggen dat ik dat niet zou kunnen worden. Als ik maar monomaan genoeg de afwas blijf doen, en toevallig doe ik erg vaak de afwas, komt het vanzelf.Het echte zen bevindt zich tussen zijn en niet-zijn. Voor wie Parmenides kent is dit  hilarisch, want die zegt juist ‘is, is en is-niet, is-niet’. Waarmee hij een perfecte scheiding maakt tussen het zijn en het niet-zijn. Hij geldt als één van de grondleggers van de Griekse filosofie. Beide, zen en de Westerse filosofie, denken dat ze tot verlichting leiden, maar ze beweren elkaars tegenovergestelde. Dat zou toch de nodige relativering moeten brengen.

Egotrip

dinsdag, november 6th, 2007

Je hoeft geen psycholoog te zijn om iets over het ego te weten. Uiteindelijk zijn we allemaal een ego en praten we daar het liefst de hele dag over. Of over het ego van anderen natuurlijk. Het is heel moeilijk om buiten dat ego om te kijken. Hoe veel inlevingsvermogen je ook toepast, jij zelf blijft het enige referentiekader.  

De beste manier om iets over de wereld te leren is daarom zelfreflectie: kennis te hebben van wat je beweegt en van alle rare kronkels in je kop. Stap één in dit proces is eerlijk te zijn tegen jezelf. Ik ben nog steeds niet veel verder dan stap één. Als mens ben je toch geneigd om het altijd op te nemen voor jezelf. Maar, dat moet ik toch wel toegeven, soms zit je fout. Misschien niet express en zonder nare bedoelingen. Ik bijvoorbeeld ben er een ster in om mensen op de meest botte manier te beledigen, terwijl ik denk heel geestig te zijn. Als ik daar op aangesproken wordt, schiet ik vrij automatisch in de verdediging. Terwijl ik veel beter sorry kan zeggen, aangezien het niet eens mijn bedoeling was om iemand boos te maken. 

Maar op dat mankementje na ben ik natuurlijk gewoon heel erg leuk. Dat dan weer wel. Ja, ik ben inderdaad behoorlijk tevreden met mezelf. Een vrij groot ego heb ik. Het is ook vaak gestreeld in mijn leven. Misschien wel te vaak. Door meesters en juffen die mij hoge cijfers gaven. Door opa’s die trots waren dat ik alle ministers en hun ministeries uit mijn hoofd kende. Door vrienden die lachten om mijn grapjes en van mij verloren met triviant. Door ouders die domweg trots op mij waren, hoe dan ook. 

Vroeger was ik er vooral van overtuigd dat ik buitensporig slim was. Ergens in de pubertijd kwam ik er achter that there’s more to life than that. Daarna begon de inhaalrace op het sociale vlak. Inmiddels ben ik vrij tevreden over hoe ik dat er vanaf heb gebracht. Maar tevreden ben ik snel. Dat is wel een beetje apart aan mij. En wat men daarvan denkt, dat hindert me nauwelijks. Ik word weinig in beslag genomen door wat andere mensen van mij vinden. Behalve een heel selekt groepje mensen die ik tot minstens zo leuk als ik of zelfs leuker reken. Wat zij denken doet er vrij veel toe.  

Vandaar dat ik, nu ik voor het eerste in mijn leven iets aan het doen ben waarvan ik mij voor kan stellen dat ik dit mijn hele leven zou kunnen doen, veel waarde hecht aan wat de insiders daar van vinden. Het doet er zeker toe wat mijn collega’s denken van mijn stukken. Deze stage is één van de grootste risico’s die ik in mijn leven genomen heb. Namelijk om afgewezen te worden op een zaak van het intellect.  

Ja, reken maar dat mijn trots gekrenkt is, als ik een verhaal waar ik al dagen aan zit, krijg teruggestuurd met de aanbeveling om er inplaats van 1500 maar 500 woorden van te maken. Des te gedrevener ben ik dan om er een heel goed stuk van 500 woorden van te maken. Daar gaat mijn egokick. Ach, af en toe moet het ego een flinke schop onder z’n kont krijgen om een beetje te blijven functioneren.

Miauw

dinsdag, oktober 30th, 2007

Ik doe mijn ogen open en denk optimistisch:’dat valt mee’. Dan draai ik me om en het voelt of ik omval. Dat kan niet. Ik lig in bed. Gisteravond was mijn evenwicht ook al niet meer helemaal 100%, maar toen had ik er niet zo’n last van. Het duizelt me, maar ik vind op de tast mijn telefoon. Tien uur. Dan heb ik relatief nog niet zo lang geslapen. Komt omdat de gordijnen nog open zijn, de zon schijnt op mijn bed. Hoofdpijnwise valt het nog alleszins mee.

Tenminste, tot ik opsta om naar de wc te lopen. Ik drink zeker een halve liter water en ga weer in bed liggen. Daar lig ik nog zeker een uur of twee mijn kater te aaien tot ik dan eindelijk maar eens een kopje koffie ga maken. Ik moet vandaag ook nog een stukje schrijven over de ‘red de paddo’ demonstratie waar ik gisteren naar toe ben geweest. Ik drink een glaasje vers geperste jus en haal een patatje bij de Febo. Niet erg sjiek, maar het helpt. Rond een uur of twee ben ik weer helemaal fris en kruip ik achter de computer. Waar ik geweest was?

Afgelopen zaterdag vierde de Groene Amsterdammer in de schouwburg haar 130 jarig jubileum. Ook ik was daarvoor aan het werk gezet. Namelijk als floormanager. Ja ja, je kan wel zien dat ik de maatschappelijke ladder snel beklim. Na het werk werd het een heel gezellig feestje. Waarbij iedereen de gekregen consumptiebonnen er in zo rap mogelijk tempo door probeerde te krijgen. Wat bijzonder goed is gelukt.

Vreemde noot op deze avond was de uitreiking van de Martin van Amerongen essay prijs, vernoemd naar een oud-hoofdredacteur. Er waren hiervoor zo’n 30 inzendingen binnengekomen. Een jury had de 6 beste uitgekozen en daar uiteindelijk de winnaar uitgezocht. Er was ook nog een publieksprijs. Het publiek kon stemmen op de 6 overgebleven essays. Klinkt logisch nietwaar?

Maar er was een mevrouw, laten we haar Joke noemen, wiens inzending door de jury niet op de shortlist was gezet. Zij voelde zich misdeeld, niet alleen omdat ze niet genomineerd was voor de jury prijs, maar ook omdat het publiek niet op haar kon stemmen. Ze begon een hetze. Het reglement (bestond dat dan?) werd er bij gepakt en ze kreeg haar gelijk. Het publiek moest op alle inzendingen kunnen stemmen.

Door dit gedoe had zij natuurlijk een achterstand op de inzendingen die al langer op het internet stonden. Dus zij pakte haar adresboek erbij, nam haar half-automatisch gun en bezocht al haar vrienden, die en masse voor haar gingen stemmen. En wonder boven wonder: zij won.

Het zal je vrouw maar wezen. Ja, het is iemands vrouw, ze heeft een gezin, loopt zo tegen de 50 en is schrijfster. Na de uitreiking bleef ze nog lekker nahangen, werd laveloos dronken en was zich uiteraard van geen kwaad bewust. Natuurlijk had verder iedereen van de Groene er de pest in dat zij zich zo tragisch kinderachtig had gedragen en dat het nog beloond was ook. Maar omdat zulke frustraties beter opgelost dan gecultiveerd kunnen worden, pakte ik de hoofdredacteur ad interim bij zijn stropdas en trok hem de dansvloer op. Daar belandde hij in de armen van Joke, die daar al geruime tijd aan het dansen was met een leuke jongere man. Terwijl zij een wild verzoeningsdansje maakten, bleef ze de man verlangend aankijken over de schouder van de hoofdredacteur ad interim.

 Ze moet wel een verschrikkelijke kater hebben vandaag. Ik hoop dat ie een week duurt.

Trots

zaterdag, oktober 20th, 2007

Als ik al ergens trots op ben, dan is het toch meestal wel op mezelf. Deze week bijvoorbeeld. Er staan twee artikelen van mij in de Groene Amsterdammer –waar ik stagiar ben- en dus loop ik daar iedereen over door te zagen en de krant onder z’n neus te houden. Maar als iemand, na het gelezen te hebben zegt ‘leuk verhaal’. Dan weet ik eigenlijk niet echt meer goed hoe te reageren. Dus ik begin ofwel een veel te wijdlopig verhaal hoe ik het precies geschreven heb of ik zeg veel te zelfingenomen dat ik er ook heel tevreden mee ben.  

Trots is ook maar iets raars. Ik denk dat ik meestal gewoon wel tevreden ben met mezelf en wat ik doe. Alleen bij speciale gelegenheden voel ik iets van trots. Eigenlijk is het ook veel leuker om trots op een ander te zijn. Zoals mijn moeder bijvoorbeeld trots op mij is. Het leuke van moeders is dat ze niet alleen trots op je zijn als je een tien voor wiskunde haalt, maar ook als je bijvoorbeeld een hele lelijke tekening voor ze maakt. Alhoewel mijn moeder me net gemaild heeft dat ze niemand meer gaat vertellen dat ik stukjes op internet schrijf, omdat ze doodschaamt voor alle spelfouten die ik maak.  

Het leuke van trots zijn op een ander is dat het geen plaats laat voor jaloezie. Waar trots op jezelf zijn altijd riekt naar egoisme, toont trots zijn op een ander juist een heel oprechte overwinning van het zelf. Ik moet zeggen dat ik het zelden meemaak. Ik kan wel blij voor iemand zijn, maar trots toch niet echt. Misschien werkt dat wel alleen bij ouders en kinderen.  

Anyway, het is een ander soort trots waar ik het over wou hebben: Verdonk is trots op Nederland. Als ik naar haar kijk, dan lijkt het tegendeel eerder waar. Volgens mij heeft ze goed de pest in Nederland en vindt ze het allemaal maar slappe hap. En wat bedoelt ze er eigenlijk mee? Is ze trots op ons uitzetbeleid – en dus impliciet op zichzelf- of op Hema worst? Denkt ze, om bij Freek aan te sluiten, aan het EK van ’88 of aan het winnende songfestivalnummer Ding-a-dong? Doelt ze op onze eeuwige strijd tegen het water of onze heldhaftige oorlog tegen de Spanjaarden?  

Volgens mij weet ze zelf ook niet wat ze bedoelt. Behalve dat ze één of ander raar sentiment denkt te verwoorden dat Nederland toebehoort aan de mensen die hier vandaan komen. Hoe kan je nou trots zijn op een idee, of op een traditie? Watvoor prestatie is het om ergens geboren te zijn? 

Het spijt me, maar deze week geen vrolijke column. Verdonk staat al op zo’n 25 zetels in de peilingen. Jan Wolkers is dood. Paddo’s worden verboden. Gerard Jolink gaat naar het songfestival. Het leger blijft ongetwijfeld langer in Afghanistan. De studiefinanciering wordt opgeheven. Trots op Nederland? Nou ik in ieder geval niet.

Op een grote paddestoel

zaterdag, oktober 13th, 2007

Uit elk onderzoek blijkt altijd weer dat alcohol in vergelijking met andere drugs (heroïne en crack even daargelaten) een zeer gevaarlijk middel is. Toch wordt er verschrikkelijk veel en vooral ook excessief gebruik van gemaakt. De maatschappij maakt zich daar licht zorgen over. Reclamecampagnes moeten zorgen dat mensen zich een beetje inhouden en op z’n minst van de risico’s op de hoogte zijn. Maar that’s it. Immers de politici die zeggen tegen de breezer te zijn, laten zichzelf ook rustig op de foto zetten met een biertje, dus zo erg zal het wel niet zijn.

Ik vind alcohol toevallig maar een saai middel. Een biertje vind ik lekker, wijn ook. Toch drink ik zeldzaam zoveel dat er van werkelijke dronkenschap gesproken kan worden. Niet dat ik zo braaf ben. Ik heb weer andere hobby’s. Drugs hebben mij altijd meer aangesproken. Al toen ik 12 was, wist ik dat ik dat allemaal eens zou gaan uitproberen. Noem het een avontuurlijke geest.

Cannabis, de enige redelijk geaccepteerde drug in Nederland, wist me maar weinig te boeien. Zo rond mijn 16e was dat wel even spannend –vooral omdat het niet mocht-, maar stoned op de bank hangen past niet erg bij mijn karakter. Gelukkig waren paddo’s toen al verkrijgbaar bij de enige smartshop van Groningen. Dat was een leuke ervaring. Niet om dagelijks te herhalen, maar wel jaarlijks en zo raakte ik langzaam ingeburgerd in de wereld van het trippen. Een trip is het meest plezierige, heftige, vervreemdende en ook angstaanjagende dat je kunt doen. Dat komt door de totale onvoorspelbaarheid er van. Het is altijd weer een avontuur, altijd weer nieuw. Niet altijd leuk, wel altijd interessant.

Inmiddels ben ik ouder en heb ik wat vrienden gemaakt met gelijke interesses en is er via via toegang tot alle drugs die je je maar kunt voorstellen. Niet dat ik daar dagelijks gebruik van maak, maar het is fijn dat de mogelijkheid bestaat. Zeker nu men paddo’s wil gaan verbieden. Want die zijn zo onvoorspelbaar. Tja, dan kan je alcohol ook wel gaan verbieden met als argument dat je daar zo dronken van wordt.

Ik vind het heel jammer. Er gaat hier een alternatief verloren voor mensen die wel eens willen experimenteren, maar die geen contacten met de onderwereld onderhouden. De mogelijkheid om van een expert informatie te krijgen, alle vragen te kunnen stellen die je hebt. De garantie dat je schone drugs krijgt, die je heel precies kunt doseren, waardoor je relatief een stuk veiliger bezig bent. Dat gaat gewoon verdwijnen. En dat hebben we te danken aan een paar brave burgervaders die zelf nog nooit betrapt zijn op enig teken van een experimentele geest. Zij verkeren in de illusie dat je door iets te verbieden ook de behoefte daaraan laat verdwijnen.

 Maar ik weet dat het mij er niet van weerhouden zou hebben om toch op zoek te gaan naar het avontuur, waarvan ik me had voorgenomen dat ik het zou beleven.

Verhuizen

zaterdag, oktober 6th, 2007

Nadat hij ruim drie maanden bij mij in huis gewoond heeft, is Freek Vielen vandaag toch weer naar een eigen appartement verhuisd. Hij had mij gevraagd om te helpen verhuizen en natuurlijk stond ik niet te springen. Ik ben niet sterk en heb een fragiel ruggetje dat zich snel vertilt, dus aan mij heb je in feite niks. Maar ik hoefde slechts het busje te rijden en toevallig rijd ik heel graag busjes en dat weet Freek, dus ik stemde in. Verder zouden er een paar sterke mannen geregeld worden om te sjouwen.

Uiteindelijk stonden er vanmiddag voor zijn nieuwe huis welgeteld Freek, ik en een zwangere vriendin van Freek. Maar voor zeuren was het te laat. Toen we voor zijn huisdeur stonden en geen van zijn sleutels het deed, zakte de moed me echt in de schoenen. Maar gelukkig lag even verderop een gloednieuwe sleutel ons aan te lachen, die wel paste. De zwangere vriendin bleek een niet onverdienstelijk kracht te zijn en gelukkig is Freek niet in het bezit van een wasmachine of koelkast. Bovendien had hij zijn boekenkast bij mij thuis laten staan en dus hoefden we praktisch enkel zijn bed en zijn laptop te verhuizen. Een uurtje later waren we klaar, maakten we nog een leuk ritje met het busje, trakteerde Freek mij op een ijsje en zo werd het toch nog een leuke dag.

Nou ja, leuk. Hij is natuurlijk wel verhuisd. Daar gaat ons gemakkelijke dagelijkse contact. Al die gewone zaken die ik zal moeten missen:

-          Het geruststellende beeld van Freek die achter zijn laptop zit en ergens tussen drie diepe gedachtes met zijn linkerhand volkomen achteloos een ongelezen brief vervrommelt en in duizend stukjes scheurt.

-          De hoopjes verpulverde was van kaarsen gemixt met stukjes van een bierviltje, die hij achterlaat na een goed gesprek.

-          De vraag of ik mijn stukje al af heb op vrijdagmiddag en daaropvolgend de vraag of ik zijn stukje al gelezen heb.

-          De zwarte koffie die ik dronk, omdat in Freeks buurt de melk altijd op is.

-          De tandpastakunstwerken die hij maakt in de badkamer (tot aan het plafond toe dames en heren!).

-          De nachten dat ik wakker lag, omdat Freek een meisje had versierd en daar mee lag te giegelen op zijn kamer, die slechts door een gipswandje van de mijne is gescheiden.

Kortom, te veel om op te noemen, want ik heb het nog niet eens gehad over de goede gesprekken, de geniale potjes schaak, en Freeks grote passie voor afwassen. Het waren mooie tijden, en dat waren het. Gelukkig is deze kamer maar voor een paar maanden, dus ik heb goede hoop dat hij daarna weer bij mij aan komt kloppen. Weliswaar zal ik hem dan opnieuw moeten helpen verhuizen, maar dat is slechts een kleine moeite voor zo’n goede vriend.

De vloeibare substantie van het oneindige

zaterdag, september 29th, 2007

‘Now Bow your head to the infinite’ zegt mijn yoga leraar altijd aan het einde van de yogales. Ik vraag me af hoe je dat doet; buigen naar het oneindige. In feite komt het er op neer dat je zit in kleermakerszit en je dan vooroverbuigt, hoofd naar je tenen, even zo blijft zitten en dan ben je klaar. ‘The infinite’ is volgens mij Shiva, de god van de yogi’s. Het oneindige, dat is een idee groter dan je zelf kan denken, want het overstijgt je, toch bezit ik wel het idee van ‘oneindigheid’. Wat ik hiermee precies wil zeggen is mij ook niet duidelijk, maar in ieder geval laat zo’n yogales mij in diepe verwarring achter: Hoe kan ik nu mijn hoofd buigen naar iets omvangrijks als het oneindige?

Volgens Levinas, een groot filosoof, zie je in het gelaat van de ander oneindigheid. Voor hem is dit het begin van de ethiek, ethiek onstaat uit de verantwoordelijkheid die je voelt voor de ander op het moment dat je contact met hem maakt. De ander als oneindigheid, dat maakt de hele boel een stuk concreter, buigen naar een ander is vrij gemakkelijk. Bovendien vraag mijn yogaleraar, laten we hem voor het gemak Anil noemen, want zo heet hij ook, altijd ‘to bless the other people who participated in this class and as you bless them you are being blessed many times’.

Helaas klets Anil, nadat hij dit gezegd heeft, altijd in zo’n rap tempo door over chakra’s en dergelijke dat ik er nooit aan toe kom om iedereen te zegenen (ik weet trouwens ook niet precies hoe dat moet). Nou moet ik zeggen dat ik er tijdens een yogales nogal mijn eigen gedachtenleven op na houd. Ik volg de boodschappen over vuur, water en aarde nauwelijks en al het goebedoelde advies van Anil trekt aan me voorbij, maar die oneindigheid daar mijmer ik over door.

Ik denk dat een ander inderdaad oneindig is voor mij in de zin dat je iemand nooit volledig kent. Het is zelfs zo dat je iemand die je heel goed kent juist steeds meer in zijn complexiteit leert kennen, ziet dat er veel meer is achter de oppervlakte die je eerder zag. Aan de ene kant is dat treurig, je zal nooit compleet iemand begrijpen, aan de andere kant is het mooi, je zal altijd wat te ontdekken hebben, vriendschappen hoeven nooit te vervelen.

Maar, volgens mij is er nog iets. Niet alleen de ander vertegenwoordigt een onkenbare oneindigheid, ook ik zelf ben oneindig. In ieder geval in mijn mogelijkheden, mijn wijzen van zijn. Hoewel ik voor mijzelf wel te kennen ben in mijn wensen en verlangens, zal ik nooit een totaal inzicht hebben in mijzelf. En zeker niet in de zelf die ik tien jaar geleden was of de ik die ik over een jaar zal zijn. Er is dus geen eenduidig begrip. Nooit zal ik mijzelf volledig begrijpen, weten wie ik ben. Ik ben vloeibaar, elk moment voor verandering vatbaar. Het geeft weinig houvast, maar ik vind het wel een mooie gedachte. Zo kom ik elke keer een beetje soepeler uit yoga, fysiek, maar vooral mentaal zo vloeibaar als wat.