Maud
zaterdag, januari 26th, 2008Ik had een leraar die vaak ‘sowieso’ zei. Het was een leraar wiskunde. Wiskunde is vaak ‘sowieso’. Mijn mede-leerlingen vonden het bijzonder grappig. Ze turfden. In een les had de man wel 50 keer ‘sowieso’ gezegd. Omdat het woord langzaamaan aan kracht begon te verliezen, maakte de leraar er variaties op. ‘Sowiesowieso’, en een enkele keer ‘sowiesowiesowieso’.
Ik vond het heerlijk. Ik snakte naar dat woord. Als na de uitleg over afgeleiden eindelijk nog eens het woord ‘sowieso’ viel, was ik zo weer bij de les. Niet meer afgeleid. Het woord stelde me gerust. Je hoeft er niets achter te zoeken.
Op het einde van het semester maakten mijn klasgenoten de leraar attent op zijn stopwoord. Hij schaamde zich rood, heeft de hele kerstvakantie het woord uit zijn vocabulaire proberen bannen, en heeft het daarna nooit meer gebruikt. Ik was gezakt voor wiskunde.
Mijn zwak voor stopwoorden is gebleven. Je komt er nogal wat tegen. De slager op de hoek zegt vaak ‘diepvriesproduct’, zie je.
Het gekke bij stopwoorden is dat ze helemaal niets doen stoppen. Ze doen de zin net doorgaan. Het is meer als kousen stoppen. De gaten vullen. Ik ben vaak op zoek gegaan naar een stopwoord. ‘Quoi’ leek me wel wat. Het is wel mooi weer, quoi. Het klinkt chique en relativerend ook. Dan ben je zo enthousiast dat je het teveel gebruikt en het op gekwaak begint te lijken. Ik hield er maar mee op.
Op Youtube is er een filmpje verschenen, waarin een leraar zijn ergernis spuit over het overmatige gebruik van het loze ‘zeg maar’. Stom, vind ik dat. Leve de loze woorden, toch! Ik denk nu ernstig na over ‘choucroute’. Een woord als een kus. Alleen jammer dat het ‘zuurkool’ betekent. En dat het ook wel eens, zeg maar, een diepvriesproduct is.
door MAUD