meneer Johanson
woensdag, december 19th, 2007Meneer Johanson liep de trap op. Onder zijn arm had hij een half bruin brood geklemd en in zijn ene hand een boodschappentas met zijn wekelijkse boodschappen en in de andere de grote zaterdagkrant.
Het trappenhuis was donker. Helemaal boven, waar zijn kamer was, was er een geel-uitgeslagen dakraampje dat licht moest geven voor het hele, zes verdiepingen tellende gebouw. Het tapijt op de vloer had de huiseigenaar daar 15 jaar geleden neer gelegd toen die in zijn eigen huis laminaat wou.
“Meneer Johanson? Bent u dat?”
De stem van Meneer Johansons onderbuurbuurvrouw was helder door de dichte deur te verstaan.
Nog één trap, dacht meneer Johanson. Nog één trap en ik was veilig thuis geweest in mijn eigen kamer.
Hij overwoog zijn mogelijkheden en zette toen zo stil mogelijk een pas richting de laatste trap naar zijn verdieping. Hij sloop naar de trap. Nog twee meter dacht hij, nog twee meter, dan ben ik bij de trap. Als ik bij de trap ben dan komt alles goed.
“Meneer Johanson, komt u toch even binnen. Ik heb net thee gezet.”
Kon ze hem zien? Ik moet dit eens een keertje tot de bodem uitzoeken. Het lijkt of ze me door de dichte deur heen kan zien.
“Meneer Johanson.”
“Ik heb het geld van deze maand voor u deur gelegd. Maandag al hoor. In een enveloppe.”
“Dat weet ik wel, maar u heeft een beetje te veel betaald.”
“Dat lijkt mij sterk, ik tel dat altijd heel erg precies na.”
“Dan heb ik mij misschien vergist, komt u even binnen dan tellen we het samen nog een keer na.”
Tien jaar lang betaalden ze al samen de kabeltelevisie. Op een ochtend stond de kleinzoon van zijn onderbuurvrouw in een keer voor de deur, met een grote steenboor in zijn hand.
“We gaan even een gaatje boren in uw vloer” had die jongeman gezegd, “dan kunt u mooi de kosten voor de kabel televisie delen met Petra.”
“Petra?”
“Uw onderbuurvrouw, mijn oma.”
Toen was hij langs meneer Johanson naar binnen gelopen.
“Kijk eens aan, in die hoek, naast de verwarming daar zal ik even een gaatje boren. Heeft u een stopcontactje?”
Meneer Johanson was uit stil protest toen maar in de keuken gaan staan, met de tussendeur dicht. Geen koffie, had hij gedacht, ik ga hem geen koffie geven. Die koffie kan hij mooi op zijn buik schrijven.
“Ah kijk eens aan, daar is een stopcontactje.”
Sindsdien legde meneer Johanson altijd wat geld voor de deur van Petra. Zelfs toen meneer Johanson t.v. al na een jaar kapot was gegaan, was hij door gegaan met betalen. Uit angst dat die grote jongen op een dag weer met zijn boor voor de deur stond, wellicht.
“Meneer Johanson, ik heb een lekker koekje voor bij de thee gekocht. Of wilt u liever koffie?”
“Nee mevrouw Petra, dank u beleefd, maar ik moet nog heel veel dingen doen vandaag.”
“Zegt u toch gewoon Petra, meneer Johanson.”
“Mevrouw Petra, ik heb echt geen tijd vandaag. Probeert u het volgende week nog een keer. Of volgende maand, dan kan ik misschien wel.”
“Meneer Johanson, u kunt toch wel een kopje koffie drinken. Of misschien lust u wel een borrel? Ik heb bessen. Of cognac?”
“Mevrouw Petra, ik zeg u toch dat ik geen tijd heb. Ik moet nog werken. Ik ben toch een boek aan het schrijven.”
Al die tijd had meneer Johanson tegen zijn dichte deur gepraat, maar nu hoorde hij duidelijk gestommel. Petra was op weg naar de deur.
“Mevrouw Petra, u hoeft echt niet te komen. Ik kan heus niet. Maar we kunnen een afspraak maken.”
“Meneer Johanson, zegt u nou gewoon Petra.”
“Mevrouw Petra, blijft u nou gewoon binnen. Moet er niet nog wat schoongemaakt worden. De afwas, moet die niet gedaan worden?”
“Meneer Johanson, wie houdt u voor de gek. We kunnen toch gewoon als twee goede buren een borreltje drinken?”
Ze deed de deur open. Plots stond ze daar op nog geen halve meter van hem vandaan. Meneer Johanson sprong op en het brood en de boodschappen vallen.
“Mevrouw Petra, gaat u nu terug naar binnen, ik wil u niet zien!”
“Meneer Johanson, zegt u toch gewoon Petra.”
“Blijft u stilstaan! U bent gek in uw hoofd! U bent knettergek! Kom niet dichterbij!”
Meneer Johanson sprong over zijn boodschappentas heen en rende de trap op.
“U vergeet uw boodschappentas, meneer Johanson.”
Meneer Johanson probeerde zo snel mogelijk zijn sleutels uit zijn zak te halen, maar zijn hand beefde zo dat hij grote moeite had om de juiste sleutel te vinden.
“Meneer Johanson, uw boodschappen!”
Hij was binnen. Hij ruste tegen de deur, hij hijgde. Hij kwam weer in beweging en liep naar zijn keuken kastje. Tot zijn geruststelling had hij nog twee pakken rijst. Daar zou hij nog wel minstens twee dagen mee kunnen doen.
Hij schonk met bevende hand een cognac in en keek toen uit het raam over de stad. Hij depte wat zweet van zijn voorhoofd en dacht: “zal ik ooit de zachte lippen van Petra mogen kussen?”