Archive for the ‘Freek Vielen’ Category

meneer Johanson

woensdag, december 19th, 2007

Meneer Johanson liep de trap op. Onder zijn arm had hij een half bruin brood geklemd en in zijn ene hand een boodschappentas met zijn wekelijkse boodschappen en in de andere de grote zaterdagkrant.
Het trappenhuis was donker. Helemaal boven, waar zijn kamer was, was er een geel-uitgeslagen dakraampje dat licht moest geven voor het hele, zes verdiepingen tellende gebouw. Het tapijt op de vloer had de huiseigenaar daar 15 jaar geleden neer gelegd toen die in zijn eigen huis laminaat wou.
“Meneer Johanson? Bent u dat?”
De stem van Meneer Johansons onderbuurbuurvrouw was helder door de dichte deur te verstaan.
Nog één trap, dacht meneer Johanson. Nog één trap en ik was veilig thuis geweest in mijn eigen kamer.
Hij overwoog zijn mogelijkheden en zette toen zo stil mogelijk een pas richting de laatste trap naar zijn verdieping. Hij sloop naar de trap. Nog twee meter dacht hij, nog twee meter, dan ben ik bij de trap. Als ik bij de trap ben dan komt alles goed.
“Meneer Johanson, komt u toch even binnen. Ik heb net thee gezet.”
Kon ze hem zien? Ik moet dit eens een keertje tot de bodem uitzoeken. Het lijkt of ze me door de dichte deur heen kan zien.
“Meneer Johanson.”
“Ik heb het geld van deze maand voor u deur gelegd. Maandag al hoor. In een enveloppe.”
“Dat weet ik wel, maar u heeft een beetje te veel betaald.”
“Dat lijkt mij sterk, ik tel dat altijd heel erg precies na.”
“Dan heb ik mij misschien vergist, komt u even binnen dan tellen we het samen nog een keer na.”
Tien jaar lang betaalden ze al samen de kabeltelevisie. Op een ochtend stond de kleinzoon van zijn onderbuurvrouw in een keer voor de deur, met een grote steenboor in zijn hand.
“We gaan even een gaatje boren in uw vloer” had die jongeman gezegd, “dan kunt u mooi de kosten voor de kabel televisie delen met Petra.”
“Petra?”
“Uw onderbuurvrouw, mijn oma.”
Toen was hij langs meneer Johanson naar binnen gelopen.
“Kijk eens aan, in die hoek, naast de verwarming daar zal ik even een gaatje boren. Heeft u een stopcontactje?”
Meneer Johanson was uit stil protest toen maar in de keuken gaan staan, met de tussendeur dicht. Geen koffie, had hij gedacht, ik ga hem geen koffie geven. Die koffie kan hij mooi op zijn buik schrijven.
“Ah kijk eens aan, daar is een stopcontactje.”
Sindsdien legde meneer Johanson altijd wat geld voor de deur van Petra. Zelfs toen meneer Johanson t.v. al na een jaar kapot was gegaan, was hij door gegaan met betalen. Uit angst dat die grote jongen op een dag weer met zijn boor voor de deur stond, wellicht.
“Meneer Johanson, ik heb een lekker koekje voor bij de thee gekocht. Of wilt u liever koffie?”
“Nee mevrouw Petra, dank u beleefd, maar ik moet nog heel veel dingen doen vandaag.”
“Zegt u toch gewoon Petra, meneer Johanson.”
“Mevrouw Petra, ik heb echt geen tijd vandaag. Probeert u het volgende week nog een keer. Of volgende maand, dan kan ik misschien wel.”
“Meneer Johanson, u kunt toch wel een kopje koffie drinken. Of misschien lust u wel een borrel? Ik heb bessen. Of cognac?”
“Mevrouw Petra, ik zeg u toch dat ik geen tijd heb. Ik moet nog werken. Ik ben toch een boek aan het schrijven.”
Al die tijd had meneer Johanson tegen zijn dichte deur gepraat, maar nu hoorde hij duidelijk gestommel. Petra was op weg naar de deur.
“Mevrouw Petra, u hoeft echt niet te komen. Ik kan heus niet. Maar we kunnen een afspraak maken.”
“Meneer Johanson, zegt u nou gewoon Petra.”
“Mevrouw Petra, blijft u nou gewoon binnen. Moet er niet nog wat schoongemaakt worden. De afwas, moet die niet gedaan worden?”
“Meneer Johanson, wie houdt u voor de gek. We kunnen toch gewoon als twee goede buren een borreltje drinken?”
Ze deed de deur open. Plots stond ze daar op nog geen halve meter van hem vandaan. Meneer Johanson sprong op en het brood en de boodschappen vallen.
“Mevrouw Petra, gaat u nu terug naar binnen, ik wil u niet zien!”
“Meneer Johanson, zegt u toch gewoon Petra.”
“Blijft u stilstaan! U bent gek in uw hoofd! U bent knettergek! Kom niet dichterbij!”
Meneer Johanson sprong over zijn boodschappentas heen en rende de trap op.
“U vergeet uw boodschappentas, meneer Johanson.”
Meneer Johanson probeerde zo snel mogelijk zijn sleutels uit zijn zak te halen, maar zijn hand beefde zo dat hij grote moeite had om de juiste sleutel te vinden.
“Meneer Johanson, uw boodschappen!”
Hij was binnen. Hij ruste tegen de deur, hij hijgde. Hij kwam weer in beweging en liep naar zijn keuken kastje. Tot zijn geruststelling had hij nog twee pakken rijst. Daar zou hij nog wel minstens twee dagen mee kunnen doen.
Hij schonk met bevende hand een cognac in en keek toen uit het raam over de stad. Hij depte wat zweet van zijn voorhoofd en dacht: “zal ik ooit de zachte lippen van Petra mogen kussen?”

Meneer Johanson zat in de trein

dinsdag, december 11th, 2007

Meneer Johanson zat in de trein. Hij zat er al een lange tijd en had de krant, die op de stoel lag waar hij was gaan zitten, uitgelezen. Nu leunde hij tegen zijn jas die aan het haakje hing en doezelde lekker weg. Het monotone geluid van de trein en het landschap dat voorbijschoot kalmeerde hem en het duurde niet lang of hij ging van het doezelen naar het slapen.
‘Mag ik uw kaartje even zien?’
Door de tikjes op zijn schouder werd meneer Johanson wakker.
‘Mag ik uw kaartje even zien, meneer?’
‘Ja, natuurlijk.’
Hij haalde enigszins versuft zijn portemonnee uit zijn jaszak en zocht daarin zijn weekendkaart. Hij had een pas waarmee hij in het weekend gratis met het openbaar vervoer kon reizen.
‘Probeert u mij voor de gek te houden, meneer?’
‘Niet in het minst, beste man. Wat lijkt er niet te kloppen.’
Meneer Johanson was altijd nogal gevoelig geweest voor autoriteit en zeker autoriteiten met een uniform zoals deze conducteur had. Hij wou daarom onmiddellijk een mogelijk misverstand uit de wereld helpen.
‘Wat is dat voor een kaartje?’ Vroeg de conducteur, zoals een meester eerst een versimpelde som kan vragen aan een leerling, om dan vervolgens te kunnen zeggen ‘nou als je dat weet, wat is dan het antwoord op deze vraag’.
Meneer Johanson probeerde zo correct mogelijk te antwoorden.
‘Dat is een weekendkaart, meneer.’
‘En wanneer mag je daar mee reizen, meneer?’
‘In het weekend, meneer.’
‘En welke dag is het vandaag, meneer?’
‘Zondag, meneer.’
De conducteur keek hem even aan, zag het plichtsgetrouwen smoelwerk van Meneer Johanson en ontspande toen iets in zijn gezicht.
‘Dan moet daar het misverstand liggen, het is namelijk al een hele dag maandag.’
En toen hij zag dat meneer Johanson even uit het veld was geslagen door die mededeling voegde hij daar ten overvloede aan toe: ‘Zondag was gisteren.’
‘Beste meneer de conducteur, het kan niet anders dan dat u zich moet vergissen. Op maandag zou ik nooit met de trein reizen. Ik heb immers een weekend kaart, die is slechts geldig in het weekend. Wat zou ik dus op een maandag in de trein te zoeken hebben?’
‘Met die vraag worstel ik ook, meneer. Met die vraag worstel ik ook. Toch is het vandaag echt maandag. Kijkt u maar op mijn horloge.’
‘Dat horloge heeft u zelf ingesteld, dus dat kan best een dag voorlopen.’
‘Twijfelt u soms aan mijn integriteit als conducteur, een autoriteit in de trein?’
‘Nee natuurlijk niet,’ haaste meneer Johanson zich te zeggen, ‘maar twijfelen aan mijn integriteit doe ik liever nog later, als u mij dat niet euvel wil duiden.’
Ze keken elkaar even aan. Toen had meneer Johanson een schitterend idee.
‘Wacht u eens meneer de conducteur, ik heb een schitterend idee.’ Hij pakte de krant die hij gelezen had en vond toen wat hij wou vinden.
‘Kijk, hier staat het. Dit is een zaterdag krant. Zondag komen er geen kranten, dus dit is de krant van gisteren.’
‘Helaas, meneer, het is de krant van eergisteren.’
‘Waar is de maandag krant dan?’
‘Hoe moet ik dat nou weer weten, waarschijnlijk op het station of in een krantenwinkel.’
Meneer Johanson keek om zich heen in de trein, zodat ze het aan iemand anders konden vragen, maar de trein was verder leeg.
‘Dat deze trein leeg is, meneer de conducteur, is dat geen teken dat het zondag is. Zondag is toch een hele rustige dag.’
‘Maandagmiddag is het rustiger dan zondag, dat kan ik je wel vertellen.’
De conducteur keek naar buiten, alsof hij hoopte dat daar zich iets zou tonen wat de naam van de dag onomstotelijk vast zou moeten vaststellen.
‘Meneer… Hoe is de naam?’
‘Meneer Johanson.’
‘Meneer Johanson, ik weet het goed gemaakt. Ik geef u geen boete, maar ik dring er bij u op aan dat u er verstandig aan doet om bij thuiskomst een dokter te consulteren.’
‘Dank u wel.’
De twee mannen keken elkaar nog even aan, allebei op hun hoede, allebei bang dat de ander een gruwelijke grap met ze aan het uithalen was, maar toen knipte de conducteur tegen zijn pet en ging hij weg.
Meneer Johanson keek uit het raam. Hij glimlachte voorzichtig naar het voorbijrazend landschap. Hij was moe, maar sliep de hele reis niet meer.

De mens is een slecht acteur.

dinsdag, december 4th, 2007

Op een feestje, een feestje dat van haar is, waar het meisje het middelpunt van is, probeert een jongen haar aandacht te vangen. Ik wil het niet zien, maar zie het toch.
Hij gaat achter haar staan, naast haar en zelfs voor haar (hij kijkt daarvoor over de schouder van haar gesprekspartner).
Zij kijkt niet naar hem. Zij kijkt naar de andere mensen die één voor één naar haar toekomen. Haar feliciteren. De jongen kijkt toe, geeft zich houding, probeert haar aandacht te trekken, al was het maar één keer oogcontact. Iets. Iets dat kon wijzen op het bestaan van een geheim verbond tussen hen.
Het oogcontact komt niet. Het wordt ontweken. De jongen doet niets, niets dan blijven staan en wachten en glimlachen. Beide proberen niets te laten merken. Niet te laten merken dat beide weten dat er contact wordt gezocht en genegeerd.
Het meisje speelt dat ze de jongen niet ziet. De jongen speelt dat hij haar aandacht niet probeert te vangen en, even later, dat hij niet ziet dat het meisje hem negeert.
Maar de mens is een slecht acteur. Ik zie hen spelen en zag nimmer zo ongeloofwaardig spel.
Uiteindelijk nam ik afscheid van de jongen en het meisje en baande mezelf een weg naar buiten door meisjes en jongens, sigaretten in hun hand, glazen met witte alchohol drankjes aan hun mond. Kleren, waar langer over nagedacht was dan menig toneelkostuum van een grote zaalvoorstelling.
Wat is de mens een slecht acteur, bleef ik maar denken, terwijl ik in de miezer-regen naar huis liep. Een slecht acteur, dat is hij, de mens, prevelde ik terwijl ik mijn vuist kort balde.
De vraag die mij nu echter sinds vanochtend in zijn eigen onlogischheid bevangen houdt is de volgende: als de mens een slecht acteur is, maakt dat van de acteur dan ook een slecht mens?

Meneer Johanson en de rode bal

zaterdag, november 24th, 2007

Meneer Johanson zat op een bank. Plotseling viel er een rode plastic bal uit de lucht. Hij kwam van zo hoog dat meneer Johanson hem niet had kunnen zien, al had hij een kwartier naar de lucht gestaard. Kleiner dan een stip was de bal geweest.
Maar nu viel de bal met grote snelheid naar beneden en meneer Johanson stond op.
Zijn dikke lange blauwe jas, die de koude februari wind moet buitenhouden, viel goed en hij probeerde met uitgestrekte armen de bal te vangen. Dit mislukte en meneer Johanson moest bukken om de bal op te rapen. Zijn rood-paarse baret viel, maar dat vond hij niet zo erg.
‘Er zijn ergere dingen,’ dacht hij.
‘Is die bal van u?’ vroeg een meisje dat voor hem stond.
Meneer Johanson keek om zich heen en zag dat er, behalve het meisje, verder niemand was. Het was ook veel te koud om in het park te spelen.
‘Ja dat is mijn bal,’ zei meneer Johanson achterdochtig, terwijl hij de bal achter zijn rug verstopte. ‘Of althans, ik heb hem gevonden. Hij viel uit de lucht’.
‘Ik denk, dat hij van mij is’, zei het meisje bedachtzaam, ‘ik had mijn bal in de lucht gelegd omdat ik er even niet mee wilde spelen.
‘Het zal een andere bal zijn geweest,’ zei meneer Johanson beslist. ‘Deze bal heb ik gevangen. Nou ja, bijna’
‘Welke kleur heeft hij?’vroeg het meisje.
Meneer Johanson die natuurlijk door had dat dit een truc was van het meisje zei: ‘Rood, maar dat is een beetje een domme vraag. Bijna elke bal is rood, alleen tennisballen niet. En sommige voetballen. En als mevrouw me nu excuseert dan ga ik nu naar huis. Het is al vijf uur en ik moet nog met mijn bal spelen.’
‘Ik ben geen mevrouw’
‘Wat zei mevrouw?’
‘Ik zei dat ik geen mevrouw ben, maar een meisje. En de bal heb ik voor mijn verjaardag gekregen en hij is van mij.’ Het eens zo rustige meisje leek te overwegen om te gaan huilen.
‘Goed, goed, goed’, zei meneer Johanson korzelig omdat hij niet tegen huilende meisjes kon, ‘Ik ga hier niet een beetje ruzie staan maken met een klein meisje om een rode bal. Ik heb belangrijkere dingen te doen, natuurlijk. Als ik wil kan ik zo duizend rode ballen kopen.’
Het meisje pakte de bal aan en liep naar huis. Eerst een beetje bedremmeld, maar later toen ze meneer Johanson al bijna vergeten was, waagde ze het om de zoveel stappen er een huppel-pas tussen te doen.
Meneer Johanson keek haar even na, stopte zijn handen in zijn zakken en ging ook maar naar huis.
‘Het had erger gekund,’ dacht hij, ‘veel erger’.

duivenhoeder

vrijdag, november 16th, 2007

Ik was zo in gedachten verzonken (over dit en over dat) dat ik niet eens door had dat ik naast hem ging zitten, op het bankje, in het park. En al had ik hem dan misschien wel gezien (dat is moeilijk te zeggen, achteraf), ik had zeker niet gezien dat hij een te groot, goed gevulde, grijze jas aan had. Noch dat zijn eveneens grijze haar met water of gel achterover was gekamd en dat hij witte sportschoenen aan had.
Nadat ik een krentenbol uit mijn aktetas haalde en de verse New Yorker die ik gekocht had, daar doelbewust nog even in had laten liggen, zag ik het pas goed: ik was naast een zwerver gaan zitten. Een dakloze. Normaal gezien zijn witte sportschoen types niet direct mijn favoriet, maar ik ben van nature goed gezind (of tenminste op mijn hoede) en bood een van mijn pas gekochte krentenbollen aan.
Tijdens de altijd goed aangeklede dineetjes die ik en mijn vrienden bij tijd en wijle plachten te organiseren was het al vaak onderwerp van gesprek geweest: zwervers die je om geld vragen, maar een broodje afslaan. Iedereen had dan wel een anekdote en de verhalen vertellers kropen op hun verhalenstoel.
‘Ik heb weleens meegemaakt,’ plachte de verhalen verteller dan te beginnen ‘dat ik een heel lekker broodje had gekocht. Ik liep naar buiten en met enige tegenzin besloot ik om het aan een zwerver te geven. Ik had al gegeten die ochtend. De zwerver echter pakte het broodje vast, met zijn vieze, bruine, koude vingers, sloeg het open, rook er eens aan en gaf het toen terug. ‘Lust ik niet’, had hij gezegd. Waarna ik mijn broodje wel weg kon gooien.’
We waren het aan tafel er allemaal roerend over eens dat zoiets niet kon. Het vertrouwen in de zwervers was daarmee gedaald en eigenlijk had niemand meer zin om zwervers geld te geven.
De man die naast mij zat, nam een krentenbol graag aan.
‘Lekker’, zei hij. ‘Lang geleden dat ik nog eens een krentenbol heb gegeten.’
Die zin kwam er met een verbazingwekkend goede dictie, in perfect Amerikaans uit, wat me nogal voor hem in nam.
Hij at de krentenbol beschaafd en met smaak op, waar ik erg blij van werd. Meer nog voor hem dan voor mezelf. Jij bent een vriendelijke zwerver, dacht ik bij mezelf. Zo zouden er meer moeten zijn. Jij bent een goede, brave zwerver.
Ik besloot voor de vorm mijn krant nog boven te halen, maar al spoedig raakte we in een geamuseerd gesprek. Met wat algemene beamingen en tegenwerpingen die ik geleerd had in mijn studietijd (‘het kan nog wel eens een weekje blijven vriezen, ja’, ‘het is wat he’, ‘ach zo’n vaart zal dat wel niet lopen, vermoed ik’) hield ik het gesprek levendig. Op een gegeven moment zei ik zelfs de vooral onder tweedejaars studenten filosofie erg populaire dooddoener: ‘als je het van de andere kant bekijkt, is het ook waar.’ En zo kabbelde het voort.
‘Ik ben eigenlijk duivenherder,’ zei hij.
‘Duivenherder? Wat interessant, ik heb daar nog nooit van gehoord.’
‘Dat is omdat het geen betaalde baan is, anders had u er vast wel van gehoord.’
‘Wis en waarachtig wel. Wat houdt die baan precies in, als ik vragen mag?’
‘Ik hoed duiven. Waar ik ook ga in de stad, ik word altijd gevolgd door mijn duiven. Als ik zit dan blijven ze in buurt. Ze gaan soms wel eens een stukje vliegen, maar ze blijven me altijd in gaten houden.’
‘Hoedt u alle duiven van de stad of heeft u er een paar onder u hoede?’
‘Niet allemaal, tjongejonge. Dat zou een mooie boel worden. Een paar. Stuk of dertig meestal. Er gaat er wel eens eentje weg en er komt wel weer eens een andere voor in de plaats. Daar moet je niet te moeilijk over doen.’
‘En hoe houdt u ze dan allemaal uit elkaar, als ik vragen mag? Ik zou de ene duif niet van de andere kunnen onderscheiden.’
‘Ik ook niet, meneer, ik ook niet. Dat is natuurlijk ook de reden dat dat duiven hoeden nog een beetje gaat. Anders zou het helemaal een onmogelijke taak worden. Nu weet ik zeker dat als ik ergens zit en wat broodkruimels strooi dat er altijd wel een paar duiven komen. Of dat dan precies mijn duiven zijn dat doet er minder toe.’
Om het bankje heen zaten hooguit tien duiven.
‘Heeft u misschien nog zo’n krentenbol, als ik vragen mag.’
‘Voor de duiven,’ begreep ik.
‘Ach meneer, uiteindelijk is het wat u zei ‘van de andere kant is het ook waar’.’
Ik gaf hem mijn krentenbol waar hij zorgvuldig stukjes vanaf scheurde om ze vervolgens op de grond te gooien.
‘Weet u meneer, wat ik het enige jammere van deze hele zaak vind?’
Hij stopte even met het scheuren van de krentenbol en keek peinzend naar de grond.
‘Ik kan me maar niet meer herinneren of ik nou ben gaan drinken omdat mijn vrouw wegliep, of dat mijn vrouw is weggelopen omdat ik dronk.’
Daarna ging hij weer verder met brood uitstrooien. Ik kreeg het plots koud en had geen zin meer om in dit park te zitten.
Ik deed mijn krant in mijn tas, mijn hoed op mijn hoofd en liep zonder te groeten weg.
Ik kon me alleen niet meer herinneren of ik op weg was naar mijn werk of naar het café.

Durf te denken (deel 1)

zondag, november 11th, 2007

Wat ik nog steeds niet snap is dat er in de discussie over de moslimgemeenschap in wereld, vaak wordt gezegd dat de moslimgemeenschap fundamenteel anders is dan de westerse, seculiere gemeenschap en dat dat ook altijd zo zal blijven, omdat zij de verlichting niet hebben meegemaakt.

Nou heb ik persoonlijk die verlichting ook niet meegemaakt, maar dat schijnt voor de verlichtingfans geen probleem te zijn. Als er dan gevraagd wordt wat voor effect dat missen van die verlichting heeft, worden er steevast drie voorbeelden gegeven. De emancipatie van de vrouw, gelijke rechten voor de homoseksuelen en de scheiding tussen kerk en staat.

Drie voorbeelden die zo algemeen, ik zou haast zeggen ‘politiek-correct’, zijn dat bij voorbaat er niemand tegen kan zijn, waardoor de gever van die argumenten zo triomfantelijk kijkt dat hij bijna vergeten lijkt te zijn dat het ‘niet met iemand oneens kunnen zijn’ niet automatisch betekend dat je het met hem eens bent. Een gedacht waar Wilders zich vaak aan bezondigt, tegenovergesteld maar even dreigend als de beroemde zin van Bush ‘wie niet voor ons is, is tegen ons’ namelijk ‘wie niet tegen ons is, is voor ons.’

Wat ik alleen nog niet snap, is hoe die rechtse denkers die drie ‘pijlers van beschaving’ steeds zo makkelijk en direct kunnen terugvoeren op de verlichting. Een stroming die volgens wikipedia begint in de 17de eeuw en zijn eindpunt vindt in de franse revolutie. Waarna, volgens de boekjes, de romantiek zou beginnen. Een stroming die wordt gekenmerkt door het feit dat het zijn vragen en antwoorden zoekt in de emoties en de ervaringen. Wordsworth en Coleridge zijn daar mooie exponenten van en die dienen als inspiratie voor bijvoorbeeld de Beatstroming in de jaren vijftig.

De basisgedachte van de verlichting ‘durf te denken’ is er een waar ik me zeer verbonden mee voel. Geen kwaad woord daarover. ‘Durf te denken’ is overigens een uitspraak van Horatius die 65 voor Christus werd geboren.

Maar hoe loopt de link van ‘durf te denken’ naar vrouwenemanciaptie, homo-emancipatie en scheiding van kerk en staat?

Eind jaren vijftig (van de 20ste eeusw) werd in Nederland de gehuwde vrouw handelingsbekwaam. In diezelfde jaren vijftig was de homoseksueel nog een paria die uitgesloten was van overheidsbanen. In 1994 kreeg Nederland pas een regering waarin geen christelijke partij zat. Pim Fortuyn maakte daar met zijn Puinhopen van Paars een hardvochtig einde aan en sindsdien is het Christelijk Democratisch Appel weer als vanouds spekkoper.

Als we naar andere Westerse landen kijken kun je bijvoorbeeld al vrij snel opmerken dat in Zwitserland pas in 1971 vrouwen stemrecht kregen, dat homo’s in heel veel landen nog gediscrimineerd worden (polen, vs en vaticaanstad zijn het laatste jaar daar prominent mee in het nieuws gekomen). En ook al is de directe macht van de kerk natuurlijk sterk afgenomen, echt helemaal weg is ze niet, zeker niet in de VS waar alle president kandidaten zich nog altijd in het openbaar op de Almachtige blijven beroepen.

Wel is het dan weer zo dat vrouwen in de VS al veel eerder en veel massaler aan het werk waren dan in Nederland.

Dus de vraag die ik vanmorgen had, was eigenlijk gewoon heel simpel; waar is dat direct verband tussen de verlichting en de moderne vrijheden van ons en is dat verband werkelijk zo allesbepalend dat andere factoren daardoor gemarginaliseerd mogen worden?

Als het een spelletje was geweest, had ik niet op de verlichting gegokt als noodzakelijke factor in die emancipatie en secularisatie golf eind jaren vijftig, zestig en zeventig.Ik zou al mijn geld blind inzetten op welvaart. Niet dat vrouwen en homo-emancipatie leidt tot welvaart, maar dat welvaart leidt tot minderheden en homo-emancipatie.

Kant legt uit wat verlichting is

egokick

zondag, november 4th, 2007

Het wordt wellicht eens tijd, dat ik iets over mijn mede-weblogger schrijf. Zij heeft mijn naam nu al een aantal keer genoemd in haar stukjes en ik heb dat tot nu toe onbeantwoord gelaten.
Sara Kee dus. Stagiaire bij de Groene Amsterdammer, die nu al meer stukjes publiceerde dan dat sommige stagiaires, de minder fortuinlijke, hun hele leven zullen publiceren.
Is er iets mis met Sara dan? Is er een noodzaak om over haar te schrijven?
Nee, niet in het minst. Het gaat erg goed met Sara. Op het feestje van de Groene Amsterdammer, dat ze in het stukje hiervoor beschreef, kreeg ik van verschillende collegae van haar te horen dat ze erg goed is, dat ze echt blij zijn met haar.
Sara, die dat hoorde, groeide. En terecht.
Terug op de dansvloer, zei ik, terwijl ik probeerde én te rock en rollen én het bier, dat ik vast had, in zijn glas te laten, vanuit het niets, zonder dat ik zelf eigenlijk maar besefte wat ik zei: ‘Niet te lang in een egokick blijven hangen.’
‘Wat zeg je?’, riep Sara in mijn oor.
‘Je moet niet te lang in een egokick blijven hangen.’
‘In wat voor kick?’
‘Laat maar.’
En we dansten verder. Ik zou verder aan dit voorval, dat mij evenzeer verraste als dat het Sara onverschillig liet, geen aandacht hebben besteed, als ik niet twee dagen geleden het volgende meemaakte:
Ik was op bezoek bij een vriendin die ik al een poosje niet gezien had. We praatten wat over de hypotheekrente-aftrek, de sores van haar kind (hij gaat inmiddels al naar de middelbare school, wat de nodige hoofdbrekens met zich mee brengt natuurlijk), de oorlog in Irak en de jaren ’60.
We liepen eens over haar terrein, ze liet wat tekeningen zien die ze gemaakt had op een cursus en vroeg toen hoe het eigenlijk met Ferdinand ging, een goede vriend van ons. Ik legde uit dat hij zijn bachelor dit jaar wel zou halen waarschijnlijk, waar zij blij mee was.
‘En met Sara, hoe gaat het met haar?’
‘Goed,’ zei ik, naar waarheid. En toen alsof ik er zelf niets mee te maken had: ‘ze moet alleen oppassen dat ze niet te lang in een egokick blijft rondhangen.’
Daar had ik het weer gezegd. Egokick. Geen idee waar het vandaag kwam of waarom ik het zei.
Na nog wat thee te hebben gedronken, tongzoenden we anderhalf uur en toen was het tijd voor mij om weer naar huis te gaan. Ik nam afscheid, gaf een aai over de bol van haar zoontje en liep toen haar erf af.
Eerst zeven kilometer langs de rivier (eigenlijk een grote sloot) door de weilanden, dan nog een goed half uur door het bos en tenslotte twee uur door de stad (ik woon op het Leidseplein boven het American).
Ik liep langs die rivier, of sloot zo u wilt, en moest denken aan dat vreemde voorval van die middag. Niet dat tongzoenen, dat was tussen haar en mij een normale manier van affectie tonen, maar mijn plotselinge uitspraak over de egokickerij.
Een warme vijf-uur-zon brak door, ik deed mijn jas uit en legde die over mijn arm. Mijn witte sjaal hield ik voor de zekerheid om.
Ik moest terugdenken aan mijn schooltijd. Als er toen positieve dingen werden gezegd over wat ik gedaan had, luisterde ik daar nooit naar. Het moest altijd beter, van mezelf.
In mijn derde jaar kwam er, de dag voor ik mijn toonmoment had, de vriendin van de regisseur kijken. Een opvallend openhartig persoon. Zo openhartig dat ze bij de bespreking van onze generale repetitie zei dat ze op zich wel genoten had, maar dat er één minpuntje was: ik. Ze vond het niet echt interessant wat ik deed.
Ik hield me groot en liet uiterlijk niets merken. De regisseur kwam me te hulp, maar ik zei dat het niet erg was, dat iedereen vond wat hij mocht vinden.
Ook die avond liep ik in mijn eentje naar huis, zoals ik eigenlijk nu nog steeds loop. Ik wond me er toch meer over op dan dat ik wou toegeven aan mezelf. Niet zo zeer over dat ze het niet goed vond, maar vooral over dat iedereen er zomaar iets mag vinden van wat ik doe.
Je maakt iets. En als de jury zegt dat het goed was, verandert dat wat je gemaakt hebt in iets goeds. Als de jury zegt dat het niet goed was, verandert dat wat je gemaakt hebt in iets slechts. Terwijl dat wat je gemaakt hebt, hetzelfde blijft.
Het was van toen af aan dat ik de oordelen van de jury vaarwel heb gezegd en slechts luisterde naar tips om beter te worden en me voor de rest probeerde te concentreren op de vraag wat ik er zelf van vond.
Ik probeerde me te concentreren op wat ik gemaakt had en niet op wat er van gevonden werd.

De waardering is een onberekenbare minnaar. Het is denk ik dat wat ik tegen Sara wou zeggen. Het gevoel dat mensen iets van je mooi vinden is zo’n fijn gevoel, dat er altijd het gevaar bestaat dat waardering een doel op zich wordt.
Uiteindelijk gaat het er om dat je iets maakt waarvan jij vindt dat het gemaakt moet worden. Een product, iets wat niet meer bij jou hoort, iets waarover je je al een oordeel gevormd hebt.

Ik kom aan bij de rand van het bos, de plotseling warme winterzon staat nu ver in het westen en heeft zijn kracht verloren. De schaduw van de bomen is lang en valt koud over me heen. Ik doe mijn jas weer aan.
Ik weet dat ik van dit bos, dat ik toch redelijk goed ken, een eng bos kan maken als ik dat wil. Ik wil dat niet.
Onberekenbaar en verslavend, dat is de waardering en daarom is ze zo gevaarlijk. Ook omdat de waardering van mensen negen van de tien keer meer zegt over wat die mensen willen zien, dan over wat ze zien. Omdat waardering van zoveel meer afhangt dan van jouw product alleen. En tegelijkertijd is die waardering voor een deel noodzakelijk, zeker als je anderen nodig hebt om jouw product te verwezenlijken.

Ik zie door de bomen de stad liggen, de Eiffeltoren en Dom broederlijk naast elkaar. Ik ga het hek van het bos door en kom aan bij de trap die naar de stad leidt. Een trap met zoveel treden dat ik, altijd als ik van plan ben om ze te gaan tellen, ergens halverwege de tel kwijt raak.
Ook de vvv-kantoren moeten hetzelfde probleem kennen, want niemand die ik ken weet hoeveel treden er precies zijn.
De zon zakt bijna weg. Ik begin te klimmen, de lange weg omhoog. Als ik geluk heb ben ik voor het donker thuis.

het geld, de kunst en de straat

zondag, oktober 28th, 2007

Ik hoorde het volgende verhaal:
Een vriend van een vriendin van mij was een graffitiartiest. En op een avond was ze met hem mee toen hij in de stad graffiti zou gaan spuiten. Ze vroeg hem waarom hij nou zo graag graffiti spoot, hoe hij er mee begonnen was en wat zijn drijfveer was. Na een heel verhaal over kicks, spanning en kunst antwoordde hij relativerend, terwijl hij bezig was zijn derde piece te zetten, in plat Amsterdams: ‘ach ja, het houdt me van de straat.’

Mensen willen graag bezig zijn. Of laat ik het iets preciezer formuleren: ik wil graag bezig zijn. Dat komt mooi uit want onze maatschappij is zo ingericht dat je geld kan krijgen in ruil voor jou bezigheden. En geld, daar hebben we allemaal wel een beetje van nodig. Het houdt elkaar mooi in evenwicht: ik wil graag geld krijgen voor mijn bezigheden en de maatschappij wil graag geld geven voor mijn bezigheden.
Niks aan de hand dus; bedje gespreid, kindje gedekt.
Probleem zit er alleen in dat er nogal wat verschil kan zitten tussen de bezigheden waar jij je mee bezig mee wilt houden en de bezigheden waar de maatschappij bereidt is geld voor te betalen.
Jeroen Brouwers houdt zich graag bezig met boeken schrijven. Ik las in de krant dat hij daar vorig jaar zesduizend euro voor heeft gekregen. Dat is leuk voor de feestmaanden als extra’tje wanneer je een goedbetaalde baan hebt, maar Jeroen Brouwers heeft geen goedbetaalde baan. Hij wil zich slechts bezig houden met boeken schrijven en vind dat hij daarmee voldoende aan de maatschappij toevoegt om op zijn minst gewoon in leven te kunnen blijven.
Het is daarom dat hij de Prijs der Nederlandse Letteren weigerde. De 16.000 euro prijzengeld die daaraan vast zat vond hij niet meer een aalmoes voor zijn oeuvre.
Bert Anciaux, de Vlaamse minister van Cultuur is het met hem eens. Hij is kwaad op zichzelf dat hij deze crises niet heeft weten te voorkomen en zegt in een interview in de volkskrant (25-10-2007): ‘Zoals onze topsporters nooit meer in de miserie mogen zitten als ze eenmaal een Olympische medaille hebben gewonnen, moeten we ook onze kunstenaars van topniveau steunen. Ik broed ergens op en ik vind wel iets.’
Ik vind dat een interessante gedachte en uitspraak die het waard is onthouden te worden. Zeker nadat ik woensdag tijdens de Amsterdamse baanwielren zesdaagse heel wat, al dan niet toekomstige, Olympische medailles voorbij heb zien racen op centimeters afstand achtervolgt door mensen zonder Olympische medailles.
Ik zelf zie mijn huidige ‘werk’ nog voornamelijk zoals de eerdergenoemde graffiti artiest zijn graffiti. Het houdt me van de straat. Dat ik er soms ook nog voor betaald word, vind ik een heel mooi geluk. Zo lang mogelijk volhouden, wil ik dit, maar ik zou me niet verbazen als ik over tien jaar toch gewoon een baan moet gaan zoeken.
Maar nu krijg ik er voor betaald en dat is een heerlijk gevoel. Hoeveel er betaald dient te worden weet ik niet. Ik ben gewoon begonnen en er werd gezegd je krijgt zo en zoveel. Het had 500 euro minder kunnen zijn en 500 euro meer; beide had ik niet gek gevonden.
De verhouding tussen hoeveel mensen willen dat er iets gebeurt (een voetbalwedstrijd, een chocoladereep produceren, ontwikkeling van hun kind) en de hoeveelheid mensen die bereid en kundig is om die behoefte te bevredigen bepaald de hoeveelheid geld die je krijgt voor je daden.
Zo verdient een voetballer meer geld dan een korfballer, wat dus niets zegt over de bijzonderheid van de gaven van de korfballer, maar wel iets over de vraag naar voetballers en korfballers.
Er zijn heel veel mensen die voor 3 miljoen euro op jaarbasis bij Real Madrid zouden willen spelen, maar de meeste mensen zijn realistisch genoeg om te weten dat het hen daarvoor aan kundigheid ontbeert. Daarom zullen er niet gauw rellen ontstaan over de hoogte van de voetbalsalarissen. Bij voetbaltrainers is dat al iets minder. Ik denk dat er velen stiekum bij het eind van de wedstrijd denken, ik had dat beter gedaan dan Marco van Basten of Co Adriaanse

Er is wel ophef over Rijkman Groenink, met zijn 24.000.000 euro boni na het verkopen van ABN-Amro. Ik denk dat dat ook simpel te verklaren is uit het feit dat iedereen wel 24.000.000 euro had willen krijgen voor het verkopen van ABN-AMRO. En dat Rijkman Groenink er niet in geslaagd is om aan te tonen dat hij de enige was die het voor dit bedrag kon doen, zoals hij dat gedaan heeft. Johan Cruijff zei daarover in een van zijn collumns: “Wat ik echt niet kan begrijpen, is dat een directeur die er in zeven jaar tijd in geslaagd is van zijn werk een enorme puinhoop te maken, toch met een kapitaal het zinkende schip mag verlaten.”
Extra opvallend dat de uitspraak van Johan Cruijff komt omdat er steeds meer mensen beginnen te roepen dat er heel veel mensen zijn die voor minder geld en met dezelfde kundigheid wel analist zouden willen zijn bij de NOS.

Zelf wil ik me het liefst zo min mogelijk bezig houden met zoiets als geld. Dat dat natuurlijk niet echt lukt, lukte of zal lukken merkte ik afgelopen maandag, toen we de eerste redactievergadering hadden voor devrijdag.nl, het e-literaire tijdschrift.
Het is de derde keer dat ik betrokken ben bij het opzetten van een tijdschrift en nu pas merk ik hoe erg die eerste twee keer door het gegeven ‘geld’ werden gegijzeld.
Probleem van die tijdschriften waren altijd dat er voor gezorgd moest worden dat het gedrukt werd en dat het verspreid werd. Geld problemen dus. Om er maar voor te zorgen dat we het daar over niet hoefden te hebben werd er bij het begin van die vergaderingen gesproken over wat voor soort tijdschrift we zouden maken, met wat voor soort literatuur en hoe we dat dan in onze reglementen zouden moeten opschrijven en aan de eind van de avond hadden we of nog steeds daarover of over de liefde, de vriendschap, god en de dood.
Hoe anders ging het maandag. De redactie kwam bijeen, er werd gepraat over hoe we het praktisch moesten aanpakken (Romke maakt een mooie website), hoe vaak we zouden verschijnen (om de twee dagen een nieuw stuk, met drie of vier vaste schrijvers en occasionele gastschrijvers), wat voor soort teksten we er op wouden hebben (alle soorten teksten) en of we een gezamenlijk doel hadden (nee, behalve dan dat we allemaal slechts beter en beter willen worden).
Geld zullen we er niet mee verdienen, maar dat is ook niet in het minst belangrijk. We krijgen er namelijk al iets ontzettends mooi voor terug: het houdt ons van de straat. En hopelijk op een gegeven moment u ook, voor een minuut of tien per dag.

Geef het volk brood en spelen, maar niet het mijne

vrijdag, oktober 19th, 2007

Het begon al goed: Gerard Joling zong het Wilhelmus. Of hij zong niet eens, hij acteerde dat hij in het Scheveningen-theater op de barricade stond voor Les Miserables. Zijn kostuum had hij van zijn Ice-Show, met glitterkraag en boord.
Je voelde in het station dat er 30.000 man zich verzameld hadden die zich verheugden op maar één ding: de polonaise.
Er was 40 euro betaald voor een spektakelstuk, dus ze hadden er zin in. Lekker los gaan straks. Lekker genieten van een supershow door onze superjongens. Gerard Joling mocht nu alleen het voorprogramma zingen, maar ik denk dat als hij gedurende de wedstrijd had doorgezongen dat er heel wat mensen waren geweest die er met liefde 50 of 60 euro voor over hadden gehad.

Ik keek thuis samen met mijn vader. De tekst bovenin beeld voor de Sterren on Ice show die zaterdag zou worden uitgezonden, zagen we al niet meer. De lopende tekst onderin beeld waarin ons werd opgeroepen te smsen wouden we niet zien. Wij wouden voetbal zien.

En dat zagen we ook. Goed, we moesten even wachten want Jacqueline of Tanja of Marieke (ongetwijfeld gewoon mevrouw de Boer) had nog een hele mooie prijs weg te geven. Ook wij konden eigenaar worden van die mooie nieuwe auto, we moesten alleen nog even sms’en.
Sinds we de hemel in het hiernamaals hebben afgeschaft hoeven we geen guldens meer in het bakje bij de kerk te storten. Onze hemel is hier op aarde, hij heeft vier wielen en een stuur en je hoeft alleen maar een sms’je in de zakken de tv-eigenaren te stoppen. De mensen die nu mogen bepalen wat goed en fout is, wat mooi en lelijk en wat waardevol en waardeloos is.

Oranje speelde goed in het begin. Ik had in het begin moeite met vinden waar iedereen stond, maar het bleek dat Seedorf ook als linksbuiten dreiging en kracht had.
Oranje scoorde 1-0 en de polonaise kon losbarsten. Hiervoor waren ze naar het station gekomen. Lekker juichen. Minstens elk kwartier een goal. Tien! Tien! Tien! Ging het in de hoofden van het oranjegesminkte publiek En ik kon ze geen ongelijk geven. Was Tien of Talpa zoveel slechter als dit SBS6?

Na de pauze bleef de tweede goal uit. We kregen het was moeilijker, drie van onze sterspelers vielen geblesseerd uit en de omzetting ging wat moeilijk.

En wat deed het oranje publiek? Wat deden die in Oranje gehulde sportliefhebbers? Gingen ze achter de ploeg staan? Sleepten ze hun helden door deze moeilijke fase? Zorgden ze ervoor dat ze de rust weer konden terug vinden. Nee natuurlijk niet, want ze wouden niet dat het team het goed deed. Ze eisten het. Ze hadden betaald voor een show en zouden dat krijgen ook. Terwijl Engeland met 2-1 onderuit ging in Rusland, Duitsland met 3-0 werd afgedroogd, Belgie ongetwijfeld ook ergens aan het voetballen was (we mogen helaas concluderen dat het Belgisch voetbal het eind van de Belgische staat niet gehaald heeft), en Oranje nog gewoon met 1-0 voorstond, begonnen ze te roepen; onze supporters. Ze begonnen te roepen om Foppe de Haan. Ze scandeerden ‘Wij willen voetbal zien’. Ze maakte Marco van Basten uit voor lafaard.

Ze eisten mooi voetbal.
Ik denk dat er een misverstand bestaat over mooi voetbal. Zoals schoonheid niks te maken heeft met liefde en liefde alles met schoonheid, zo heeft ook schoonheid niks te maken met voetbal, maar voetbal alles met schoonheid. Er moet geconcentreerd worden op zo goed mogelijk voetballen, dan volgt de schoonheid vanzelf. Als je je concentreert op schoonheid dan volgt er helaas niet automatisch voetbal uit.

Ik krijg steeds meer het idee dat mensen bij een voetbalwedstrijd geen voetbal verwachten maar een mooi, net en strak uitgevoerde Joop van de Ende spektakelstuk. Met acrobaten, danseressen, special effects en Gerard Joling. Met voetbal zoals we in de Nike, Addidas of Puma reclame zien.

Maar het mag wel eens gezegd worden dat voetbal niet draait om loepzuiver zingen, maar om 11 mannen (of vrouwen) van elf andere mannen met vernuft, kracht, snelheid, orginaliteit en organisatie proberen te winnen.

En daar hebben we het beestje bij de naam. Het draait om winnen. En net zoals het bij het schaatsen niet uitmaakt of er rondjes 40” gereden worden of rondjes 28”, maakt het bij voetbal ook niet uit hoe goed de voetballers zijn. Het gaat om heel graag willen winnen en daar 90 minuten je stinkende best voor doen.

Het probleem van het Nederlandse elftal is dat ze een rare mengeling hebben van heel goede en vrij matige spelers. Het tweede probleem is dan nog dat de matige spelers het vaakst de bal hebben. De spelers die achter de bal staan waren tijdens Nederland Slovenië voornamelijk Kew Jaliens, Demy de Zeeuw (die steeds beter gaat voetballen) en in de tweede helft Andre Ooijer. Die mensen zijn niet zo goed als Frank de Boer of Frank Rijkaard. Dat is niet erg maar wel jammer. Het heeft weinig zin om Sneijder achter de bal te laten spelen. Ook Sneijder is achter de bal geen Frank de Boer. En in verdedigend op zicht zelfs geen Ooijer. De enige echte oplossing zou zijn om zoveel mogelijk te voetballen in hun verdediging, waardoor het middenveld ook achter en dus aan de bal komt. Iets wat de eerste helft heel aardig lukte. Helaas vielen er drie sterspelers met een blessure uit. Andre Ooijer kwam er in en Heitinga en Demy de Zeeuw gingen samen het middenveld overnemen. Dan weet je dat het even moeilijk wordt. Vooral ook omdat er nieuwe lijnen komen en daardoor de passen niet meer echt aankwamen. In de tweede helft van de tweede helft lukte vonden de mensen elkaar al een stuk beter en ging het voetbal erg vooruit.

De presentator haalde het echter in zijn hoofd om te zeggen tegen die mensen die ook maar gewoon zo goed mogelijk proberen te voetballen dat hij pijn in zijn ogen kreeg van het kijken naar het Nederlands elftal. De bondscoach sprak hij aan met je en jij en hij excuseerde zich niet voor het gezang, nee het volk had gesproken en Van Basten moest zich maar even verantwoorden. Het volk wil polonaise en het volk mort als het dat niet krijgt. Het volk gaat als er een uur niet gescoord wordt bij een 1-0 voorsprong roepen om de laatste coach die succes heeft gehad.

Er wacht een schone taak voor Joop van de Ende. Of een schone taak: er valt geld voor u te verdienen. Als u wedstrijden kunt maken waarbij de Nederlanders sowieso kunnen winnen en er het liefst om de twintig minuten gejuicht kan worden zijn er heel veel mensen die er goed geld voor over hebben om daarbij aanwezig te zijn. Een soort schaatsen eigenlijk. Of korfbal.

Twee weken spelen

zondag, oktober 14th, 2007

Enkele gedachten tijdens het spelen in Kampen en Zwolle

* Het voornaamste verschil tussen een acteur en een schrijver is (los van het feit dat de een schrijft en de ander acteert) het verschil in energie. Ik heb gemerkt dat om te acteren, om goed te acteren, het handig is als je veel aanwezige energie hebt. Veel op je voorvoeten staan om elk moment weg te kunnen rennen.
Om te schrijven (correct me if I’m wrong-zou een engelsman zeggen) heb je veel meer aan een passieve achteroverhangende energie. Je moet elk moment kunnen opstaan om eens een lekkere wandeling te kunnen maken, maar meer ook niet. Natuurlijk ben ik de laatste (op Juan Debries uit Sao Paolo na natuurlijk) om te ontkennen dat schrijven hard werken is. Schrijven is hard werken. Maar voor mij is schrijven toch ook, een hele dag niets te doen hebben en een beetje kloten, de krant lezen, internetten, een gedachte hebben, beetje verder denken en dan als je om 8 uur de deur uit moet om een afspraak na te komen, in twintig minuten opschrijven wat je tijdens die gehele dag hebt gedacht. Vaak zijn dat hele boeken, alleen als je dat in 20 minuten opschrijft, blijven er wat sleutelzinnen en ideeen over. Dat moet je vervolgens (met kei en keihard werken- ik herhaal met kei en keihard werken) dan op een rustige dag eens uitwerken.
Maar juist die hele dag niks doen, die ontspannen, bijna te moe om te praten, geen zin om te schrijven, duizendgedachten per minuut denkende tijd is een vruchtbare en ik durf zelfs te zeggen noodzakelijke tijd.
Serieus blij ben ik dan ook dat ik de komende tijd eindelijk werkloos ben. Eindelijk, mag ik wel zeggen. Heb ik eindelijk tijd om echt te gaan schrijven.

**
Omdat er in Kampen waar ik logeerde niks te doen was, nadat de tv was meegenomen, heb ik mogen genieten van de Kampense Bioscoop. Twee films gezien die ik eigenlijk best wil aanraden maar die ik waarschijnlijk nooit gezien zou hebben als de Kampense bioscoop ook andere films ten toon had gespreid.

Ten eerste de laatste Bourne. The Bourne Ultimatum

Vroeger hadden wij eens in de zoveel tijd Duopenoti choladepasta in huis. Met grote zorg schraapte ik er dan met mijn mes de witte stukjes uit, omdat ik dat nou eenmaal het lekkerst vond. Helaas kwam er op mijn boterham toch altijd een bruine mengelvorm uit. Jammer maar helaas.
Een aantal jaren terug kreeg iemand het lumineuze idee om in een potje alleen die witte choladepasta te stoppen. Ik heb dat nog nooit gegeten, ik kan me niet voorstelle dat dat lekker zou zijn.
The Bourne Ultimatum is wel goed.
Vroeger had je James Bond films. Die opende met een achtervolging, vervolgens een generiek, dan het hele verhaal met allerlei grapjes en romantiek en tenslotte, het hoogtepunt van de film, waar je de hele film naar uit had gekeken; de eindachtervolging.
In the Bourne Ultimatum, hebben ze alle grapjes en romantiek er uit gehaald en gewoon die eindachtervolging keer vier gedaan. Waardoor die hele film een grote achtervolging scene is. En het verveeld geen moment, dat is het knappe. Echt een goede film.

De andere film had ik waarschijnlijk echt nooit gekeken als ik niet in Kampen had vastgezeten. Knocked Up. Toen ik er heen ging dacht ik naar een slechte tienerkomedie te gaan, waar het draait om de blote borsten en scheet grappen. Het bleek een goede romantische komedie te zijn. Die ook best nog wel wat te zeggen had. En ondanks dat het niet zo’n goede film is (er wordt her en der slecht geacteerd, de bh blijft wel heel opmerkelijk aan, de zwangere nep buik ziet er niet uit) is het een hele leuke film. Een film waarvan je zin krijgt in kinderen krigen (bij het verlaten van de bioscoop kreeg je dan ook een condoom mee).

De film gaat over een one-night stand waar een baby uit voort komt. Het had eigenlijk echt een one-night stand moeten blijven maar nu besluiten ze toch samen te kijken of ze samen het kind kunnen gaan opvoeden.

Om de een of andere reden zijn er in mijn omgeving nogal wat vrienden kinderen aan het krijgen. Jonge mensen die besloten hebben dat avontuur aan te gaan (of dat toeval is of een teken van de tijdgeest- daar moeten we het later nog maar eens over hebben). Over dat avontuur gaat deze film en was daar zo herkenbaar in dat ik ook erg heb genoten van deze film.

wordt wellicht vervolgt.

drijven in het wit

vrijdag, oktober 5th, 2007

Mijn oren zijn verstopt
En ik ben dodelijk vermoeid
Ik weet niet of die twee
Iets met elkaar te maken hebben
Maar op dit moment

Ben ik geneigd te denken
Dat alles met alles te maken heeft

Of in ieder geval
Met mijn huidige staat
Van dodelijke vermoeidheid.

Ik heb de afgelopen nacht
Nauwelijks geslapen
Evenals de vijf
Zes nachten daarvoor

In de ondergrondse gang
Van het station waar ik loop
Om de trein te halen
Stinkt het

Er is te weinig lucht
Door grote blaasmachines
Wordt er warme lucht
Naar binnengeblazen

Vieze oude
Warme lucht
Met elke ademteug
Zie ik
De duizenden bacteriën voor me
Die lichaam in en uit gaan

De lucht die ik uitadem
Zal straks door die grote ventilatoren
Weer dezelfde gang in geblazen worden
Levenloze lucht
De geur maakt
Dat elke inademing pijn doet
Aan je longen

Ik probeer niet te ademen
Wat me niet erg goed af gaat

Ik wou dat ik niets was
Niet niet
Daarvoor weet ik nog te weinig van het leven
Maar niets
Dat moet het einde zijn

Mijn hoofdpijn bonkt
Zweet kan zich geen weg naar buiten banen
Het lijkt alsof ik in geen eeuwen heb gedoucht

Ik wil verbleken
Drijven in eeuwig wit water
Drinken zonder kater

Ik wil onzichtbaar zijn

Op mijn zestiende schreef ik

Ik wil heersen en verdelen
Kunnen zeggen wat ik wil
Geliefd worden door velen
En gehaat door evenveel
Op mijn achtiende schreef ik daaronder
Dat ik dat schreef in een bui
Van puberale overmoed
Dat ik wou dat iedereen mij liefhad

Nu wil ik er slechts aan toevoegen
Dat niemand mij iets kan schelen
Dat liefde of haat mij in geen jaren kunnen deren
Simpelweg omdat er geen mij is
Ik wil liever onzichtbaar zijn
En schrijven
Over de meisjes in mijn bed
En nare vieze gedachten in de krochten van mijn brein
Zonder dat iemand mij ooit ziet
Dan dat er met waardering over mij geroddeld wordt
En ik niet weet wat ik aan moet

De posters zijn te lelijk
En beloven mooie borsten
En vage jongensdromen
10.000 smsjes te gebruiken binnen een maand

Ik bel iemand op
Wie doet er niet toe
Ze neemt niet op

Ik moet 5 kilo afvallen
Ik moet mijn mond trainen
Articulatieoefeningen doen
Elke dag 150 sit-ups
Elke dag 50 push-ups

Ik moet 10 kilo afvallen
Ik moet mijn stem trainen
Toonladders zingen
Elk moment van de dag
’s Ochtends en ’s avonds
150 sit-ups en 50 push-ups

Ik moet 15 kilo afvallen
Nieuwe kleren kopen
En naar de kapper
Investeren in mijn uiterlijk
Als de wereld zo werkt dan
Als de wereld zo werkt dan
Kan de wereld best zonder mij
Ik heb de wereld niet nodig

Ik wil brandend maagzuur
Wegspoelen met mayonaise
Ik wil coca-cola en gauloises
Ik wil moord en kinderkoppen
Ik wil open gekrapte huid
Ik wil slaag en vernedering
Gezichten inbeuken met mijn vuist

Ik wil een second life
Een avater en een virtual id
Kunnen schelden tot ik uitlog

Ik wil de bossen in
De mensen achter wegen laten
In hutten, onder takken,
Vogels laten loeien en stenen laten blaten

Omdat niemand me kent
En ik niemand wil leren kennen
De wereld kan best zonder mij
En ik heb de wereld ook niet nodig

Ik wil onzichtbaar
Ongrijpbaar zonder gezicht

De liefde wordt niet gratis weggegeven
Maar zorgvuldig op waarde geschat
En afgewogen gemeten en betaald

Dus verhuis ik weer
En koop mijn spullen van me af

De trein makkelijk gehaald
Toch weer te veel zorgen gemaakt
Als we alle nutteloze gedachten
Zouden gebruiken voor iets nuttigs
Zou er allang een wapen zijn bedacht
Waarmee we de atoombom onschadelijk
Zouden kunnen maken

Arnon Grunberg schrijft:
Ik stel me de hel voor exact als het leven hier op aarde
Slechts zonder de mogelijkheid er over te schrijven

Ik voel niet in het minst

De behoefte

Daar iets aan toe te voegen.

Spelen

vrijdag, september 28th, 2007

14 Oktober wordt ‘In den Vreemde’ mijn docu over het intergratie-debat in Nederland herhaald op radio 1. Dit in de ongecensureerde versie!

Aanstaande maandag gaat ‘Focke en het Geheim van Magnus’ in première in Zwolle. Dat betekent dat het repetitieproces er op zit.
Het leukste aan dat repetitieproces was dat ik vijf weken gewerkt heb met mensen die allemaal van een andere school kwamen. Een andere school betekent een ander begrippen apparaat. Als de een het over “status” had, kwam de ander met “de strevens”. Ik probeerde nog iets op te werpen over ‘neerleggen’ en ‘samen kunnen spelen, door alleen te blijven’. Maar ach, het had weinig zin. Zoals ik een brief van een jurist nauwelijks bevat, zijn ook deze gesprekken voor de buitenstaander moeilijk te volgen. Je hebt het idee dat je over hetzelfde praat, maar weet eigenlijk nooit of je het over hetzelfde hebt.
Het probleem van vaktaal is dat het enerzijds alleen werkt als je weet dat je beide over hetzelfde hebt en anderzijds noodzakelijk uitgevonden is omdat de algemene taal niet toereikend was.

Extra probleem was daarbij dat ik helegaar geen toneelopleiding gedaan heb, waardoor mijn medespelers vaak in grote verwarring werden gebracht. Voordeel daarvan was wel dat ik voor het eerst sinds lange tijd leuke gesprekken heb gehad over toneel en spelen. Iets wat ik tot voor kort als redelijk zeldzaam had gehouden.

-Je hebt niet een normale opleiding gehad, maar wat voor soort speler ben jij dan?
-Ik ben eigenlijk een opbouwende verdediger. Alhoewel ik de laatste tijd ook wel als verdedigende middenvelder speel.
-Heb je dat dan geleerd op je opleiding?
-Nou we hebben wel geleerd te spelen natuurlijk. Maar op een andere manier. Waar bij ons bijvoorbeeld, een van de dingetjes, op gehamerd werd, is dat iedereen zijn eigen wedstrijd moet spelen. Dat je pas dan echt samenspeelt.
-En wat zijn je sterkste punten als speler?
-Ik ben van nature een verdediger. Maar wel altijd met het doel om aan te vallen. Maar je kan pas aanvallen als de aanvaller niet hoeft te verdedigen op dat zelfde moment. Ik word vooral geselecteerd op mijn speloverzicht, denk ik. Als opbouwer van het spel, ben je toch steeds bezig met het spel te temporiseren, het veld breed of klein te houden. Uiteindelijk draait alles om op het juiste moment op de juiste plaats te zijn. Je voert je taak uit. En af en toe heb je een ingeving en verras je je tegenspelers.
Het gaat om voorzetjes geven. Het gaat om het plaatsen van je ballen. En tuurlijk moet je er een bedoeling mee hebben, met die bal, maar belangrijker is, is dat die bal op de juiste plek komt.
-En verder?
-Ik heb een vrije trap die gevaarlijk wordt gevonden. En als iets gevaarlijk wordt gevonden ben je vaak al halverwege een doelpunt. Ik kan namelijk helemaal niet zo hard schoppen als gedacht wordt. Ik ben geen Ronald Koeman of Roberto Carlos die met grote kracht de bal tegen de netten trapt. Maar door mijn postuur wordt dat wel verwacht, terwijl ik eigenlijk veel meer de man ben die het moet hebben van een bal die met veel gevoel wordt getrapt. Of onverwacht een voorzet geef. Verwarring stichten, spelen met de verwachting, mensen laten anticiperen op onterechte veronderstellingen, daar kan ik van genieten in het veld.
-En je slechte eigenschappen?
Dan zit je al gauw in de technische kant, waar ik een groot aantal spelers moet voorlaten. Mensen met virtuositeit uitdollen, is niet mijn ding. Zal nooit de pijlsnelle linksbuiten worden. Ik moet het voornamelijk hebben van hard werken en spelinzicht. Daarbij is het toch een teamsport en kan een virtuoos nou eenmaal alleen schitteren als er een team staat. Je hoeft het Madrid van Beckham en Zidane (en die arme Owen) maar te vergelijken met het Ajax van ’95 om te weten dat niet de beste spelers, maar uiteindelijk de beste ploeg het mooiste speelt.
-Hoe zit het met je ambities?
Zoals alle spelers wil je toch uiteindelijk op het hoogste niveau spelen. Tegelijk blijf je een liefhebber en maakt het in wezen niets uit of je met je vrienden op zaterdagmiddag lekker gaat spelen of dat je elke week in Nou Camp speelt. Maar nu ik de mazzel heb om hier mijn geld mee te gaan verdienen wil je ook alles uit de kast halen om proberen zover mogelijk te komen. En dan gaat het eigenlijk altijd om met leuke collega’s proberen zo mooi mogelijk wedstrijden te spelen. Want uiteindelijk doe je het op dit niveau toch voor het publiek.
-Amen.
-Ik ga even twee biertjes halen.
-Lekker, doe mij er ook maar twee.

en de rest is geschiedenis DEEL II

zondag, september 23rd, 2007

Niet alles wat ik op de middelbare school gehoord heb, heb ik onthouden. Helaas moet ik toegeven ik regelmatig uren tijd heb gestoken in informatie die ik een week later al weer vergeten was. Verspeelde tijd.

Aan één verhaaltje, dat ik denk ik in de derde gehoord heb van mijn leraar Nederlands, denk ik echter nog regelmatig. Het ging over de vraag of je science-fiction boeken op je lijst mocht zetten. Dat mocht in uitzonderlijke gevallen, zolang je die boeken maar gebruikte om iets over het nu te zeggen en niet iets over de toekomst.

Hij gaf daarbij het voorbeeld van een science-fiction boek uit de Middeleeuwen, helaas ben ik exacte data vergeten. Het boek speelde zich af in de toekomst en in die toekomst was de welvaart dermate toegenomen dat steeds meer mensen het zich konden veroorloven om een paard aan te schaffen. Zo veel mensen zelfs, dat de binnensteden krioelden van de paarden en er hier en daar paardenfiles ontstonden. Dit alles had tot gevolg, en daar ging dat boek over, dat al die paarden samen zo veel poepten dat de kanalen en riolering dat niet aan konden. De mest stapelde zich op en het zou niet lang meer duren of de eerste dode door verstikking in paardenmest zou zich aandienen.

Ik weet niet of het verhaal daar eindigde of dat er een oplossing voor gevonden werd.

Dat is ook niet erg, wat mijn voornaamste gedachte toentertijd was, je zou maar in een tijd leven waarbij het ergste dat je te wachten staat, een te grote hoeveelheid poep zou zijn.

Die leraar Nederlands leerde mij dat als de mens ergens goed in is, dat het dan wel zijn vermogen tot het belangrijk maken van zichzelf en zijn tijdvak is. De wereld kan elk moment op houden te bestaan, de situatie kan elk moment uit de hand lopen. Nu al zo’n paar duizend jaar.

Mensen leven in een constant crisisbesef is de hoofdgedachte uit een van de boeken van H.W. Von der Dunk, die ik niet gelezen heb.

Geert Wilders sprak in de Algemene Beschouwingen tegen J.P. Balkenende dreigend dat de geschiedenis zal oordelen over hem en zijn leiderschap. Dat zal inderdaad gebeuren. Hoe die beoordeling zal luiden is echter een heel andere vraag.

Er zijn weinigen die iets in een historisch perspectief kunnen plaatsen. Een enkeling kan over de grenzen van zijn eigen tijd naar voren kijken.

Verreweg de meeste denkers echter lopen door de straat, zien een paard een behoorlijke drol leggen, zien steeds meer mensen in staat om een paard te kopen en denken, stel je voor dat over een aantal jaar iedereen in staat is om zo’n paard te kopen. Hoeveel mest krijg je dan wel niet? Waar moet dat allemaal heen?

Ik weet niet hoe dat met u zit, maar ik heb, als ik naar Geert Wilders kijk steeds sterk de indruk, dat hij in deze laatste categorie zit. Hij heeft een behoorlijke drol gezien en is in paniek geraakt. Ik moet zeggen dat ik Geert Wilders niet echt meer serieus kan nemen, nu ik eenmaal deze gedachte heb gehad. Ik moet onwillekeurig toch steeds aan paardenstront denken als ik hem hoor spreken.

Ik denk dat we weer in een tijd leven waarin we paardenstront voor echte problemen aanschouwen. Zoals het communisme na 1990 pijlsnel van het wereldtoneel is verdwenen zie ik ook de problematiek met de radicale islam verdwijnen. Als je de huidige ‘dreiging’ vergelijkt met de dreiging van bijvoorbeeld de Cuba-crisis dan is het ricicuul als je ziet hoeveel media-aandacht en spreektijd in de tweede kamer deze zaak krijgt. Als ik de verhalen mag geloven ging het in de tijd van de Cuba-crisis om het uitbreken van een wereldwijde oorlog met het gebruik van Atoomwapens, met andere woorden het ging om het voortbestaan van de planeet, niet om een groepje mensen dat zijn bommen zelf moest maken om 70 doden te veroorzaken in de Londense Metro. Niet dat ik 70 mensenlevens wil bagatelliseren, een mensenleven valt niet te bagatelliseren, maar op wereldgeschiedenis niveau mogen ze hopen een voetnootje te krijgen.

Ik ben bang dat wij in een vrij doodse tijd leven. Als de mensen in een constante crisis besef leven, dan hebben wij misschien wel de kleinste crisisjes in de geschiedenis van de mensheid. Wij leven in de uitlopers van de industriële revolutie. En in de voordagen van weer een heel nieuw tijdgewricht. Op dit moment zijn daar ergens de kiempjes voor aan het ontstaan, zit een uitvinder ergens aan een stoommachine te knutselen en denkers een radicaal andere samenlevingsvorm uit te denken. Die zullen een dermate grote verandering te weeg brengen dat we de crisissen van de komende generatie nog niet eens kennen.

Het leuke van het feit dat de toekomst niet zo zal zijn als dat wij ons nu voorstellen, is dat het zelfs mogelijk is dat het exact zo zal zijn als dat wij ons nu voorstellen. Want dat het exact zo zal zijn als dat wij ons voorstellen, dat verwacht niemand.

Er moet trouwens ongetwijfeld een naam zijn voor uitvindingen of gebeurtenissen die de geschiedenis veranderen, maar ik heb het gegoogeld en kon niet echt iets vinden. Heeft misschien een van u daar een idee van of over?

nieuwtjes

donderdag, september 20th, 2007

Misschien leuk om te vermelden dat ik morgen (vrijdag 21 september, als de herfst echt mag beginnen) om 1900 in de Zwarte Zaal van de Singel Komt dat zien bij wijze van waarnemen, nog eens speel. Mochten er mensen in Antwerpen zijn toevallig, kom gerust langs.

Zondag 31 september speel ik in Beuningen twintig minuten uit Held met Sjaal.

De eerste twee weken van Oktober speel ik 16 keer Focke en het Geheim van Magnus in Zwolle en Kampen.

Dit ter informatie en uitnodiging.

Voorts zoek ik per 31 januari weer een kamer in Amsterdam. Tot die tijd ben ik gelukkig en onderdak.

Freek

Het stukje van de week zal ik zondag plaatsen.

En de rest is geschiedenis

zaterdag, september 15th, 2007

Ik was, denk ik, pas 17 toen ik ontdekte wat het betekent dat in 1990 de Sovjet-Uni uiteenviel. Het betekent namelijk in de eerste plaats dat ik vijf hele levensjaren op een wereld heb rondgedwaald waar er een serieus alternatief voor het kapitalisme bestond.
Weliswaar waren dat mijn eerste vijf levensjaren, maar toch. Ik ben opgegroeid in de jaren negentig, een tijd waarin de liberalen en socialisten elke dag lachend om de tafel zaten om samen te praten over hoe ze de ontstellende rijkdom van Nederland konden verdelen.
-‘Ik vind dat we het geld aan de arbeiders moeten geven’
-‘Ik vind dat we het voornamelijk aan de middenklasse moeten geven’
-‘Dat komt mooi uit, want de middenklasse bestaat voornamelijk uit arbeiders’
Een tijd waarin uit heel de wereld mensen kwamen om te kijken naar ons poldermodel, ons drugbeleid en onze jeugdopleiding van Ajax.
Een tijd waarin datzelfde Ajax ongeslagen (!) kampioen werd en gekroond werd tot beste club van de wereld. En dat juist op het moment dat ik begon met voetbal te kijken, waardoor ik in mijn onwetendheid de jaren die daarna volgde met Olsen, Wouters, Adriaanse, Blind, Koeman en Ten Cate steeds af deed als een ‘dipje’, een tijdelijk dipje, iets dat iedereen kan overkomen, in plaats van ’95 als een klein wonder te beschouwen.
Totdat ik er dus op mijn zeventiende achterkwam, dat ik vijf jaar heb geleefd in een wereld waarin Amerika niet de enige echte baas van de wereld was. Ik kwam er achter dat ik er ten onrechte van uit was gegaan dat het kapitalisme even inherent aan het mensdom was als ademen of verliefd zijn (wat volgens sommige mensen ook maar een uitvinding uit het hoofse tijdperk is).
In mijn beleving was de wereld lang geleden ontstaan uit een knal en begonnen direct daarna visjes in apen te veranderen. Bij die apen was het zo dat er een aap het meeste eten kreeg en dat best wou uitdelen aan de andere apen, maar dan moesten zij wel hem helpen met het zo efficiënt mogelijk eten te krijgen waarvoor ze in ruil ieder één banaan kregen.
Het was toen dat de mens ontstond en op een gegeven moment kreeg je Marx die de 40-uurige werkweek, het ontslagrecht en de stoommachine uitvond. Waardoor wij ons de laatste 100 jaar voornamelijk bezig hoefden te houden met van die 40-uurige werkweek een 38-uurige werkweek te maken en de hypotheekrente aftrek af te schaffen.
Tuurlijk had je in de geschiedenis wel alternatieven gehad voor het kapitalisme. Eerst waren er de Romeinen, die het liggend eten en de bank hadden uitgevonden. Later kreeg je de Middeleeuwen die zich voornamelijk kenmerkte door de enorme tijd die de middeleeuwers nodig hadden om iets gedaan te krijgen. Alles duurde 80 of 100 jaar en het bouwen van kerken zelfs makkelijk 300 jaar. Alleen de mensen die werden allemaal maar 40 omdat ze zich niet voldoende douchten. Gelukkig vond niemand het toen erg om dood te gaan omdat de Hemel nog bestond. Die is in de verlichting door Nietzsche gelukkig afgeschaft anders waren we nooit zo rijk geworden. Na de ridders in de Middeleeuwen kreeg je de Indianen die werden afgeslacht door de Slaven die wij vanuit Indonesië naar Amerika brachten. Gelukkig werden de Slaven al snel bevrijd door Maarten Luther (bijgenaamd ‘The King’), Oom Tom en Mandela.
Toen kreeg je dus Marx die de stoommachine uitvond waardoor de Eerste Wereldoorlog ontstond, die eigenlijk helemaal geen wereldoorlog was omdat hij zich alleen afspeelde in België. Dat was een oneindige loopgraven oorlog en op de plek waar toen de loopgraaf lag, ligt nu nog de taalgrens, die België splitst.
In de Tweede Wereldoorlog (de echte wereldoorlog) vochten de Duitsers tegen de rest van de Wereld omdat Hitler niet kon accepteren dat hij maar voor een achtste Joods was. Bob Dylan schreef in die tijd veel protestliedjes, maar het mocht niet baten. Pas toen ze een atoombom gooide op de Berlijnse Muur was de oorlog afgelopen. De Berlijnse Muur bouwde ze later weer op en liep toen helemaal van de Oostzee tot in China waar hij overging in de Chinese Muur. Het ijzeren gordijn noemde ze dat, wat een vrij slechte naam is, omdat het een stenen muur was, die overigens nadat hij afgebroken was, door de Joden werd meegenomen werd naar Israël, waar de Joden het de klaagmuur noemde. Die klaagmuur moest de Irakezen uit Israel houden, omdat de Irakezen steeds de Joodse Profeet beledigden. Maar dat was pas veel later.
Eerst moest Nederland weer worden opgebouwd. We herstelden met zijn allen de afsluitdijk die de Duitsers in vijf dagen hadden weggebombardeerd omdat ze het niet konden winnen van de Nederlanders. Door het aanleggen van die Delta-dijken kwam Almere droog te liggen waardoor in de jaren tachtig niemand meer hoefde te kraken.
Dat kraken werd wel gedaan door de Hippies in de jaren zestig. Naast de het kraken stichten ze ook de communistische staat, wat wel een sympathiek idee is, maar (helaas, helaas) praktisch niet haalbaar zou zijn. Iets wat mij in mijn jeugd zo vaak verteld is, dat het haast een beetje gek lijkt dat de Hippies dat zelf niet wisten. Wat waarschijnlijk komt omdat ze de hele dag stoned hun hanenkammen moesten invetten zodat die niet omvielen. Later werd mij erg vaak verteld dat de Zestiger jaren helemaal niet zo romantisch en leuk waren als de verhalen die daar de ronde over doen. Wat ik me op zich wel kan voorstellen, want ook ik zou gek worden van de hele dag die klere-synthesizer muziek.
Op zich is de geschiedenis een heel logisch verhaal, alleen dat ik zelf ook nog een glimp had meegemaakt van het communisme dat wist ik nog niet.
Volgende week zal ik uiteenzetten waarom wij nu in een tijd leven die zich later niemand zal herinneren mede door een aantal uitvinding die zoveel nieuwe problemen gaan creëren dat we huidige problemen niet eens meer zullen herinneren.