Archive for the ‘Freek Vielen’ Category

Heerlijk- het is weer begonnen

dinsdag, juli 8th, 2008

Een korte terugblik op vorig jaar.

-Wat gebeurt hier Maarten?
-Je moet niet lang in het rood rijden want dan kom je scheef op je fiets te zitten. Dat kan wel eventjes maar als je te lang in het rood rijdt komt er een moment dat je moet lossen en dan kan het gewoon dat je geparkeerd komt te staan.
-Je kan ook geparkeerd komen te staan als je de man met hamer bent tegengekomen, als je de hongerklop hebt gekregen zeg maar, of als je gewoon slechte benen hebt. Is het niet Maarten?
-Sjonge moet je nou toch kijken. Zo vroeg in de aanval gegaan en nu gewoon totaal geparkeerd, als die hem maar uitrijdt.
-Zou dit tactiek zijn, maarten?
-Nou dat denk ik niet. Anders fiets je wel harder. Nee die man is gewoon totaal naar zijn apemoer.
-Ik vraag dat omdat we in het verleden hebben gezien dat mensen zich terug lieten zakken om nog werk voor hun kopman te kunnen leveren. Zodat ze een springplank konden vormen. Misschien wil Vino nog wel wat?
-Maar dan zit je niet zo op je fiets. Die jongen is totaal het noorden kwijt. Kijk nou toch eens. Ik heb wel bewondering voor die man. Zo vroeg in de aanval gaan. En hij knokt gewoon door.
-Hierachter rijdt Rasmussen en misschien is het wel aardig als we even aan Dekker vragen hoe het met hem gaat.
Goedemiddag Erik.
-…
-Goedemiddag Erik
-Goedemiddag
-Erik. Wij hebben vanuit deze positie de indruk dat het goed gaat met Rasmussen, heb jij die indruk ook?
-Ja, hij zit er goed bij, rijdt goed mee.
-Hoe heeft hij gisteren verteerd?
-…
-Erik?
-ja daar ben ik weer.
-Hoe heeft hij de rit van gisteren verteerd?
-Dat is altijd afwachten, maar het kopje zat er nog op vanochtend. Dus dat is afwachten, maar normaal gesproken moet hij een rit als deze gewoon aan kunnen tenzij er nog hele gekke dingen gaan gebeuren.
-Hebben jullie nog plannen voor vanmiddag? Het lijkt ons dat Boogerd er heel goed bij zit. Is dit een dag voor Boogerd? Gaan jullie nog aanvallen?
-We gaan nog wel aanvallen denk ik. Hangt een beetje van de koers af, maar in principe gaan we eerst controleren en dan kijken of we misschien zelf wel kunnen aanvallen.
-Maar eerst controleren?
-ja dat is onze prioriteit.
-Dank je Erik, we spreken je later nog.
-Ze gaan voorlopig dus blijven controleren. Dat doen ze ook goed hoor, kijk toch eens met die jonge Dekker die het peloton lijdt. Peloton op 8 minuten achterstand. Wat een mooi gezicht al die Rabo’s daar aan kop. Ik tel vier man en de gele trui.
-Het is natuurlijk logisch wat Dekker zegt, ze zitten in de positie dat ze moeten controleren, en dan kunnen wij van uit hier natuurlijk wel gaan roepen dat ze moeten aanvallen, omdat we dat nou eenmaal zo leuk vinden, omdat we liefhebbers zijn, maar als je niet in de positie zit om aan te vallen zijn er gewoon andere belangen die zwaarder tellen.
-We rijden ondertussen langs de Chateau de Libre, het vrijheidskasteel. Waar in 1492 al, toen Columbus Amerika aan het ontdekken was, voor het eerst werd begonnen met het werk aan de basilieken.

uit mijn geheime reisdagboek - deel IX

vrijdag, juni 20th, 2008

Varna, Bulgarije. 20 juni.

Het vliegtuig van Lufhtansa was nog een ouderwetse schakelbak. De motoren leken om de zoveel minuten even stil te staan. Als je je ogen dicht deed leek het net alsof je met oude jeep over een bultige weg reed. Elke keer als we een wolk raakten voelde je dat in het vliegtuig.

Een bus haalde ons op van het vliegveld van Varna en reed ons naar het vakantieresort. We moesten een half uur rijden door Oost-Europese armoede. Het is niet direct te zeggen wat van de flatgebouwen om ons heen zo duidelijk armoedige flatgebouwen maakte. Het waren halfverzakte blokken, duidelijk nog uit de tijd van het communistisch regime. Met allerlei materialen (spaanplaat, stukken glas, hout, plastic) waren op de meeste balkons extra kamertjes gemaakt.
De weg waarop we reden lag aan stukken.

We kwamen aan bij het vakantieresort. Vakkundig van Varna gescheiden door een hek om het totale ‘amuseer-terrein’.
Ik neem aan dat de meeste mensen wel eens een vakantieresort hebben gezien. Wel, ik had dat nog nooit gezien. Een schitterende Zwarte Zee, met stretchers op het strand. Direct achter het strand de eerste hotels. Met zwembaden.
Dan straatjes met kraampjes, waarin meisjes in bikini flyers uitdelen en dan nog meer hotels en restaurants. Alle hotels hebben een zwembad en buffet waar het goed naar binnen schuiven is.
De bezoekers zijn in te delen in drie categorien. Oudere mensen (vaak dikke Russen, Engelsen en Duitsers) die zoveel mogelijk bij het zwembad liggen. Middelbare mensen (vaak dikke Russen, Engelsen en Duisters) met kleine kinderen die zoveel mogelijk bij het zwembad liggen. En hun kinderen zich laten amuseren bij een van de animatie-teams. En tot slot jonge mensen (vaak dikke Russen, Engelsen en Duitsers, maar ook vaak nog jongens van 20 met wasbordjes en geblondeerde plukjes haar) die overdag zoveel mogelijk bij het zwembad liggen en ’s avonds zoveel mogelijk drinken in een van de vele boemboemboem-barretjes.

Mijn hotelkamer is groot. Sterker nog: het hele hotel is groot. De marmeren vloer blinkt de hele tijd en elke ochtend word het laminaat van mijn kamer weer geboend. Ik heb een balkon, een vrij grote badkamer, twee bedden, een bureau, een zitstoel en een inloopkast.
Drie dagen lang heb ik geprobeerd er achter te komen waar mijn kamer naar ruikt. Nu weet ik het eindelijk: naar kapper. Naar een kapperszaak rond sluitingstijd.
Voor de rest ruikt het hier gewoon naar zwembad.

Vijf dagen lang zit ik met tegen de honderd mensen in een conferentie over de radiodocumentaire. Van over de hele wereld (Australie, Zuid-afrika, Canada om er maar drie te noemen) zijn ze hier naar toe gevlogen om vijf dagen van 9 tot 18 te luisteren naar elkaars radiodocumentaires.

Dat betekend een stapel boekjes met de vertaalde tekst op je schoot en lezen en luisteren maar. Het Engels, Deens, Noors en Duits is het makkelijkst te volgen op die manier. Problematischer vond ik het met Turks en Russisch.
Maar over het algemeen kan je het erg goed volgen. In ieder geval goed genoeg om na iedere twee/drie luistersessies op te splitsen in kleine groepjes en uitgebreide discussies er over te houden.

Fijne discussies waar het goed nadenken is over wat een radiodocumentaire moet en kan zijn.
Moet er in elke documentaire scènes zitten? Moet er altijd iets gedaan worden met het geluid? Hoe maak je je docu beeldend? Waar wil je het over hebben? Hoe duidelijk moet je zijn in je subtekst?

Ik ben hier omdat mijn programma In Den Vreemde is geselecteerd. Tot mijn grote verrassing vind dat programma over het algemeen instemming. Hoewel er door een aantal mensen wordt gehamerd op het feit dat er geen scènes in zitten. Of dat ik het ‘Show don’t tell’ principe niet heb toegepast. Ik denk dat dat laatste een misverstand is. Het is niet omdat ik slechts vertel dat ik niet dingen laat zien. Als je alleen maar dingen kan laten zien door scene’s op te nemen, zou je bijna de hele literatuur weg kunnen laten. Ik geloof dat je ook dingen kunt laten zien door te vertellen.

Het meest opvallende van het festival is voor mij de ongelofelijke moeheid die bij iedereen toeslaat. De eerste dag al kan ik mijn ogen nauwelijks meer openhouden aan het eind van de dag. Het moet de concentratie zijn. Of de hitte. Ik had me voorgenomen om ’s avonds allerlei werk af te maken, maar kom niet verder dan eerst een uurtje te slapen en dan met een groepje ergens te eten.
Vis over het algemeen. Blackseafish special price for you, sir.

De moeheid zet door en op de derde dag moet ik een deel van het programma laten schieten om eventjes een uurtje te slapen. En een beetje te werken daarna.
Het grote voordeel van die moeheid is, is dat er een groot gemeenschappelijk gevoel ontstaat. Het valt me op hoe graag iedereen wil praten. En vooral ook hoe leuk ik het vind om met iedereen te praten. Je hebt natuurlijk al de discussie groepjes waar je sowieso aan het woord komt (hoe vaak ik me ook voorneem om eens een keer niets te zeggen, zodra ik iets vind kan ik dat niet binnen houden. En ik vind eigenlijk altijd wel iets.) maar ook daarbuiten praat je ongestoord door met iedereen.
Veel leuke mensen, die de wereld kleiner en grote tegelijk maken. Nadat ik met het Zuid-Afrikaanse meisje heb gesproken besluit ik volgend jaar naar Zuid-Afrika te gaan. Om vervolgens als ik met een Noor praat meteen weer te besluiten eerst eens een goede maand te wandelen in Noorwegen. Zoveel plekken nog te zien op deze wereld.

Hoogtepunten van deze week zijn voor mij toch wel de gesprekken ’s nachts aan de bar. Mensen met een ware passie voor de radiodocumentaires die bezig zijn oplossingen te bedenken om de radiodocumentaire te redden. Want dat die gered moet worden is na de plotselinge sluiting van het documentaire afdeling in Denemarken wel duidelijk. Ook België zendt geen lange radiodocumentaires meer uit. In de rest van de wereld is het niet veel beter.

Het is vechten tegen de bierkaai. Ligt het aan de kwaliteit van de programma’s? Ligt het aan het feit dat er te weinig luisteraars zijn? Of zijn het gewoon de managers en netcoördinatoren die er niks van snappen?
Ik weet het niet, maar ik was wel geraakt door de passie van de makers en de vechtlust om programma’s te blijven maken.

Midden in dat resort met de duitsters om ons heen die schreeuwend hun overwinning vierden, aan de rand van het straatarme stadje waar het gemiddelde loon nog geen 300 euro per maand is, was er sprake van zoveel liefde voor het radiovak. En net zoals ik altijd verliefd wordt op het meisje dat ik niet kan krijgen, houd ik blijkbaar van beroepen waar niemand echt op lijkt te zitten wachten. Theatermaker zonder publiek, dichter zonder lezers en naar nu dus blijkt ook nog radiomaker zonder luisteraars.

Er is nog heel wat te vechten tegen de bierkaai. Ik heb er heel veel zin in.

idealen

dinsdag, juni 10th, 2008

Ik was vijftien toen ik in het boek ‘Alles lijkt op niets’ van Aidan Chambers het volgende citaat tegenkwam. ‘Volwassen worden is tot de ontdekking komen dat al jouw hoogstpersoonlijke en unieke gedachten en gevoelens door bijna iedereen worden gedeeld.’
Het was voor de puber die ik toen was een beetje een bittere pil, ik was en ben niet uniek.
Al gauw kon ik er juist troost uit halen. Ik ben niet alleen. Alles wat ik voel en denk wordt ook door andere mensen gevoeld en gedacht. Nu kan ik zelfs mijn brood daarmee verdienen. Ik hoef in mijn werk feitelijk alleen maar zo dicht mogelijk bij mezelf te blijven en er zal altijd iemand zijn die zich daarin kan herkennen. Niet door generalistisch iets te zeggen maar juist door zo eerlijk en specifiek mogelijk iets te verwoorden, schep je de meeste mogelijkheden op herkenning.
Die ontdekking sloot mijn eerste periode in mijn puberteit af, waarmee mijn tweede puberteit was begonnen.  Een periode die voornamelijk gekenmerkt werd door mijn tweede ontdekking op weg naar mijn volwassenheid.
Het was in de tijd dat ik werkelijk aan alles twijfelde dat ik er achter kwam dat idealen de wereld niet per se beter maken. Sterker nog: ik raakte er van overtuigd dat het meeste onrecht op deze wereld wordt veroorzaakt door idealen.

Idealen zijn een doel in de toekomst. Een idee over hoe de wereld zou moeten zijn. Sterker nog: hoe de mensen zouden moeten zijn. Als de strijdbare idealist tot de ontdekking komt dat de wereld en de mensen nog niet zo zijn als hij zou willen zijn, kan het gebeuren dat de idealist besluit de wereld te veranderen. Enger nog: de mensen te veranderen.
Aangezien bijna iedere mens een idealist is zal die op zijn beurt de ander proberen te laten veranderen.
Collatoral dammage, concentratiekampen, goelags, besneden vrouwen, ontplofte bussen, allemaal het gevolg van idealen. Pim Fortuyn en Volkert van der G,. Bush en Bin Laden, Alquaida en de RAF allemaal idealisten tot op het bot.

Het ander grote onrecht veroorzaakt door mensen is het onrecht van psychopaten. Mensen die niet handelen uit de overtuiging een betere wereld te scheppen maar slechts een beter leven voor zichzelf willen creëren. Ik heb behoefte hieraan en ik zal er voor zorgen dat ik het krijg.
Er is een documentaire gemaakt waarin de grote bedrijven (coca-cola, nike, levis etcetera etcetera) worden vergeleken met psychopaten. Ik ga daarin mee in die zin dat het onrecht dat door de grote bedrijven wordt veroorzaakt niet uit een ideaal voortkomt, maar uit (kortzichtig) eigenbelang.

Dat is in mijn ogen het grootste onderscheid dat je kunt maken in het onrecht veroorzaakt door mensen. Je hebt natuuurlijk ook nog onrecht veroorzaakt door de natuur (rampen, ziektes etc.) maar dat is weer een heel andere categorie.

Door de bank genomen kan je het menselijk onrecht in die twee categorieën opdelen.
Maar wanneer veranderd het handelen van iemand in onrecht?
Ergens tussen het produceren van een blikje cola, waar heel veel drinkers gelukkig van worden (een goede daad dus) en het in stand houden en misschien verergeren van de ongelijkheid in de wereld (een slechte daad dus) ligt een grenspunt, waarbij goed in slecht veranderd.
Het is niet zo dat grote merken of idealisten per definitie fout zitten. In tegendeel lijkt mij zelfs. Een ideaal is in eerste instantie iets goed en grote merken verschaffen miljoenen mensen bijna dagelijks plezier.

Op zulk soort momenten, als je in je kamer na zit te denken over het omslag punt tussen goed en kwaad ben je blij dat een aantal jaren geleden iemand als Kant heeft geleefd. Met zijn categorische imperatief. Die heeft hij op een aantal manieren verwoord maar de mooiste vind ik degene die zegt dat onrecht ontstaat op het moment dat je mensen als middel gebruikt en niet als doel.

Op het moment dat je tegen een medemens moet zeggen ‘om een betere wereld te krijgen, moet ik jou opofferen’ kan die wereld wat mij betreft al niet meer goed zijn. Als je voor je heilstaat mensen naar siberie moet stoppen is je heilstaat mislukt. Als je voor je feestje mensen niet moet uitnodigen om het feestje te doen slagen is het een feest onwaardig.

Tijdens de demonstratie tegen de oorlog in Irak(2003) had mijn vriend R. een spandoek gemaakt waarop in grote roze letters ‘IEDEREEN IS LIEF’ stond geschreven.
We werden soms meewarig aangekeken, soms toegejuicht en soms afkeurend bekeken. Sommige mede-demonstranten hadden namelijk een nogal prangende vraag.
‘Vinden jullie Bush dan ook lief’
‘Iedereen is lief’ zeiden wij.
Daar moesten de meesten even over nadenken.
‘Bush is toch een klootzak?’
Op dat moment kapten we de discussie af en begonnen onze hoogstpersoonlijke demonstratie leuze te scanderen. ‘Koning, keizer, admiraal: poepen doen ze allemaal’.
We kwamen er helaas niet echt tussen. Het ‘geen bloed voor olie’ was te sterk.
Ik besloot om van de gelegenheid gebruik te maken om te scanderen voor ‘meer doelpunten’. En attractief, aanvallend en dwingend voetbal.

Ik schrok van de verbetenheid waarmee de mensen die daar rondliepen anti-amerikaans waren. Net of Bob Dylan geen amerikaan is. Net of J.D. Sallinger geen amerikaan is. Het is nooit de persoon die je moet afkeuren maar slechts zijn daden. Het is nooit een land, volk of religie dat je moet afkeuren maar steeds een individuele handeling. We leven in een rechtstaat, een staat die iemands daden moet keuren, nooit de persoon zelf.

De schrik van toen is inmiddels bijna geheel verdwenen. Maar snappen doe ik het nog steeds niet. Dat het juist de mensen zijn die de maatschappij afwijzen die zeggen te strijden voor een betere wereld. Je kunt niet niets met de wereld te maken willen hebben en tegelijkertijd het recht opeisen om de wereld te veranderen.
Dat is als een man die zijn zoontje van drie in de steek laat en vervolgens op zijn achttiende verjaardag begint te eisen dat hij biologisch vlees moet eten.

Als je de wereld een mooiere plek wilt laten zijn om te leven moet dat vanuit liefde gebeuren. Niet vanuit afkeuring. Iedereen is lief! Leve het leven!

Snoeperij

vrijdag, mei 30th, 2008

Mijn kinderjaren kenmerkten zich voornamelijk door een constant streven naar macht. Ik smeedde plannen, zocht bondgenoten, manipuleerde, bedroog, en stal.
Het was me niet zo zeer te doen om de macht op zichzelf; pouvoir pour pouvoir, macht om de macht. Nee, ik wou slechts macht omdat dat me de makkelijkste weg leek naar mijn werkelijke doel. Feitelijk ging het me tussen mijn derde en tiende om maar een ding: hoe kon ik in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk snoep in mijn bezit krijgen.

In België zeggen de mensen ‘snoepen’ als ze het hebben over het meervoud van snoep. ‘Mag ik van u vijf snoepen’. Wij kennen in Nederland slechts het snoepje. Ik wou geen snoepje, ik wou snoep. Net zoals ik geen koekje, geen chocolaatje en geen taartje wou. Ik wou koek, chocola en taart.
Iets lekkers. Zo noemde wij dat thuis. ‘Mag ik iets lekkers?’ Als een huisjunkie, was ik constant alert op de mogelijkheid tot scoren. Liet iemand zijn tas staan? Kleine moeite om het even te controleren op achtergebleven mentos-rollen. Iemand die zelf iets lekkers nam? Dat gaf mij het recht om minstens hetzelfde te krijgen.

Wij hadden thuis een hond. Bobby. Een grote, trage Loebas. Toen ik geboren werd was hij al negen en traag en reusachtig. Hij stierf op mijn tiende verjaardag, pontificaal op de berg cadeautjes die ik die ochtend uit had gepakt. Het was het enige echt onverwachte wat ik hem heb zien doen.
Hij is mij van groot nut geweest. Uren heb ik naast hem met een spiegel gezeten, oefenend op mijn zielige hondenblik.
Toen simpelweg vragen langzamerhand steeds minder begon te werken, heb ik veel aan die blik gehad. Vrienden van mijn ouders, mijn grootouders en de overbuurvrouw van twee straten verderop smolten als ik mijn hondenblik opzette. Ik ben er zeker van dat ik aan hen misschien niet meer dan drie keer daadwerkelijk gevraagd heb om snoep. Effectiever was het om binnen te komen, in mijn favoriete stoel te gaan zitten, eventjes te wachten, een diepe zucht te slaken en dan zielig te gaan kijken. Als ik daarna niet geknuffeld werd (het waren vaak volwassenen met grote remmingen), stond ik op, liep naar ze toe en knuffelde hun zelf vol overgave.
Daarna kon ik alles maken. De weg naar de snoeptrommel was vrij. Met enige schaamte moet ik bekennen dat ik dan niet alleen mijn mond en mijn handen vol snoep stopte, maar ook al mijn geheime broek en jaszakken. Zeker bij mijn oma en de overbuurvrouw van twee straten verderop, die dan meestal zaten te snotteren, kon ik mijn gang gaan.
Bij mijn opa (die stiekem evenveel van knuffelen hield als mijn oma) of bij de vrienden van mijn ouders ging ik iets anders te werk. Ik verstopte snoep in hun huis en at in hun aanwezigheid niets op. Het makkelijkste was op de gang, waar ook de wc was. Ik stopte wat snoep in de jaszakken van de oude jassen van mijn opa en onder de kranten in de krantenbak op de wc. Als ik dan naar huis ging was het slechts nog zaak om te zorgen dat ik dat in mijn eentje deed. Dan vulde ik pas mijn zakken en liep kauwend en smakkend naar huis.
Thuis had ik andere tactieken. Eentje was om als we samen met de negen van ons gezin een film aan het kijken waren, om vlak voor een lawaaiige actiescène naar de keuken te gaan voor een glaasje water. Dan vulde ik mijn vuisten met snoep (niet mijn broekzakken, dat kon erg opvallen) en begon te dansen. Ik kijk er zelf ook met enige verbazing op terug.
Ik zwaaide met mijn vuisten door de lucht, zong en maakte allerlei geluiden. Ik moest namelijk met die volle vuisten door de woonkamer naar het toilet. De beste plek om rustig het snoep te gebruiken. Dat mijn zusjes me voor gek hielden, en me zelfs irritant vonden, als ik luid dansend en zingend dwars door de film liep, kwam me alleen maar goed uit. Ik was zo irritant dat ze extra hard probeerden hun blik strak op de tv te houden. En ze waren slechts opgelucht als ik de huiskamer verliet en naar de wc ging. Daar propte ik zo snel mogelijk al het snoep in mijn mond, dronk wat water uit het fonteintje, spoelde door en liep terug naar de kamer.

Niet minder dan vijftig verstopplekken voor snoeppapiertjes had ik in mijn huis. U zult zeggen: hoe kan je nou vijftig verstopplekken in een huis hebben. U vergeet dat we thuis met zijn negenen waren en mijn twee jongste zusjes alleen al meer dan 150 verstopplekken hadden. De meeste verstopplekken bleven aan het oog onttrokken door andermans verstopplekken. In feite bedekte iedereen zijn geheim met iemand anders zijn geheim.

Op mijn tiende verjaardag kreeg ik tien gulden. Toen Bobby, onze hond, besloot te sterven maakte ik van de consternatie gebruik om naar de tabakwinkel om de hoek te gaan. En voor het eerst hoefde ik niet stiekem mijn zak te vullen maar kon ik simpel weg 200 kikkertje kopen. Of 100 zure matten of 25 schuimblokken. Het was toen dat ik besefte dat het niet de macht van de volwassenen was die bepaalde of je een snoepje uit de trommel mocht, maar simpelweg hun geld.
Toen dat besef volledig tot me doorgedrongen was stopte ik mijn geld in mijn zak en ging naar huis. Ik heb sinds die tijd nauwelijks nog snoep gegeten.
Wel vier ik nu dat ik deze week nog mijn eerste miljoen op mijn bankrekening heb staan. Het heeft me elf jaar gekost. Een harde maar mooie tijd. De 5000 aandelen die ik nog in een verlieslijdend snoepbedrijf zitten, laat ik daar zitten. Het is de enige sentimentaliteit die ik me veroorloof. Voor de rest is het vanaf donderdag of vrijdag op naar het volgend miljoen.

uit mijn geheime reisdagboek - deel VIII

woensdag, mei 21st, 2008

Vervolg van geheim reisdagboek - VII 

We zitten met exact tien cursisten in een vrij kleine kamer. Naast me staat weer zo’n boekenkast (L Ron Hubbard heeft de meeste titels ter wereld op zijn naam staan, meer dan 1000) en op de grond ligt rood tapijt. Alles straalt luxe uit.

Voor ons zitten onze twee leraren. Mark McPherson is daar een van, de ander is een vrouw en samen stellen ze zich enthousiast voor.
Mark is een drukke prater, een enthousiasteling die veel met zijn armen zwaait en de vrouw is rustig en lief.

Daarna is het onze beurt om te vertellen wie we zijn, waarom we vanavond hier zijn en wat voor toneelervaring we hebben.

De eerste die zich voorsteld is een wat dikke man van 34, die hondenkapper was (een vrij serieus beroep in de States – in ieder geval LA), in het oosten van het land woonde en nu besloten had om toch maar in de filmwereld zijn succes te beproeven. Zijn ervaring beperkt zich tot de musical op de lagere school.
Later vraagt hij of hij, als hij modelen-werk wil krijgen, foto’s met ontbloot bovenlijf moet opsturen naar managers. De vrouw onderdrukt een verbaasde frons en zegt dat dat zeker iets is wat je zou kunnen overwegen. De man zegt dan voornamelijk geïnteresseerd te zijn in Material Arts films.

Daarnaast zit de ster van ons gezelschap. Een meisje van een jaar of 26 die zowaar SAG-Eligible is.
SAG is de Screen Actors Guild, de acteursvakbond. Alle grote films en de meeste van de kleine zijn SAG films, films waarin alleen acteurs die bij het Screen Actors Guild zitten mogen spelen. Als je geen SAG bent kun je niet spelen in die films. Punt is dus om zo snel mogelijk SAG te worden. Niet alleen is dat vrij prijzig (zo’n $2500 per jaar), de voornaamste moeilijkheid is dat je pas lid mag worden als je in een SAG film speelt.
Een beetje zoals die clubs waarin je alleen maar naar binnen mag als je lid bent, en je lidmaatschap binnen moet halen.

Om die tegenstrijdigheid te omzeilen zijn er drie manieren om toch nog aan zo’n SAG lidmaatschap te komen.
De eerste is de meest voorkomende. Vouchers verzamelen. Dat gaat zo: het is afgesproken met de bonden (elke beroep binnen de film -regisseurs, editors etc. heeft zijn eigen machtige bond -u herinnert zich vast nog de staking van de Writers Guild) dat in elke SAG-film de eerste 45 figuranten SAG moeten zijn.
Soms gebeurt het dat je op de filmset staat er plots blijkt dat vijf SAG-figuranten niet zijn komen opdagen.
Dan komt de figuranten regie-assistent naar de figuranten toe en zegt, redelijk willekeurig als ik het goed begreep, jullie vijf zijn SAG voor vandaag. Je krijgt dan een voucher. Drie vouchers is jackpot, dan kan je SAG Eligible worden. Je mag dan twee jaar SAG en non-SAG films draaien.

Er zijn natuurlijk ook andere wegen. David Lynch bijvoorbeeld is iemand die zijn producties zolang mogelijk SAG-loos houdt. Met SAG acteurs en non SAG door elkaar. Op een gegeven moment zijn ze daar bij het SAG zat van (waarschijnlijk doordat ze geld mislopen) en zeggen; ok we maken deze hele film SAG. En iedereen die er dan in meespeelt wordt dan in een keer SAG gemaakt. Ook gebeurt het soms dat bepaalde studenten- of kleine filmpjes in een keer SAG gemaakt wordt. Wat daar de voorwaarden voor zijn lijkt niemand echt te weten.

De derde mogelijkheid is om een commercial te boeken. Aan commercials wordt zoveel geld bestaat en vaak aan zo weinig acteurs dat als de pr mensen van het bedrijf het in jou zien zitten ze je probleemloos SAG kunnen maken.

Dit langharig meisje bij de Church was dus SAG Eligible en was daarmee een aantal serieuze stappen voor op de rest van mijn cursusgroepje.

Naast haar zat een zeventien-jarig meisje heel hard te glimlachen. Ze had witte gymschoenen aan en zag er een beetje goedkoop sexy uit. Ze kwam net van middelbare school en was nu heel erg blij dat ze naar Hollywood ging. Ze was ontdekt. Door iemand. Die had verteld dat ze naar Hollywood moest gaan.

Naast haar zat haar vader. En zag zij er een beetje trailer-trash uit, haar vader was het gewoon. Een klein staartje, Wit hemdje met hawaii-achtig bloesje erover, tatoos, ringen, de hele mikmak. Ze kwamen uit het midden van het land, en waren nu bij deze cursus om een manager te krijgen zodat haar dochter zo snel mogelijk zo veel mogelijk geld zou kunnen gaan verdienen. Wat daar gedaan voor moest worden, moest daar maar voor gedaan worden. De vader rook een kans om stinkend rijk te worden, het meisje om erg beroemd te worden.
Later in de cursus moest de man die het Scientology verhaaltje hield ze een aantal keer vragen om niet alle antwoorden voor te zeggen. Ze waren al eerder bij dit soort informatie-avonden geweest en hun enthousiasme daarover kende geen grenzen.

De dikke man die daarnaast zat was weer een ander verhaal. Geen sokken in zijn schoenen, wild lang haar, onverzorgde baard, joggingbroek. Waggelend kwam hij binnen en vertelde met luide stem dat hij er helemaal doorheen zat, dat hij nog net genoeg geld had om naar hier te rijden. Dat hij eerst nog had getwijfeld tussen Las Vegas en Hollywood maar toen ‘voelde’ dat hij naar Hollywood moest gaan. Nu sliep hij in zijn auto en nee, hij had geen acteerervaring.
‘You have such an incredible voice’ zei de mevrouw.
Hij klaarde een beetje op en zei dat dat was wat hij wou gaan doen. Voice-over werk.

We gingen verder het rijtje af. Een armeense dame. Grote vetkuif, kort spijkerrokje, geel t-shirt. Had in Armenie O6-reclames en seksreclames gedaan en was nu naar Amerika gekomen om het grote geld te gaan verdienen. Ze wou hier ook reclames gaan doen en zocht een manager.
‘Your english is so good’ zei de mevrouw.
‘thank you’
‘I mean you have such a huge accent but you don’t have to think about the right words, so amazing’

Daarachter zat een man van een jaar of veertig. Goud oorbelletje, witte spijkerbroek, bloesje met korte mouwen, kort geknipt grijs haar. Hij speelde golf en wou graag in reclames spelen.

Daarna stelde een mooi afro-amerikaans meisje van 22 zich voor. Behalve dat ze wat verlegen was misschien was leek ze me (eindelijk) een gewoon leuk en mooi meisje. ‘You should so be on the Disney Channel’, zei de mevrouw.

Ik was aan de beurt. Frank heette ik. Acteerschool in Holland gedaan en wil nu gewoon kijken hoe het hier aan toe gaat. Of Hollywood misschien iets voor mij was.

Halverwege de les kwam nog een afro-amerikaanse jongen binnen met wijde broek die de les verstoorde, maar gewoon naar zijn stoel liep. Ook toen de lesgevers even stopte en hem verwelkomde keek hij met strak gezicht naar de stoel waarop hij wou gaan zitten.

Ondertussen is er schuin achter mij een man komen te staan, ik kan voorlopig nog niet echt achter zijn functie komen. In ieder geval durf ik mijn recorder niet meer aan te drukken. Het maakt geen lawaai, maar als ik hem aan zou zetten gaan er nogal wat lichtjes branden en een rood knopje met ‘rec’ knipperen.

Ik probeer me te concentreren op wat er vertelt wordt. Eerst met grote argwaan,  grote reserves en grote innerlijke strijd of ik toch niet mijn recorder aan moet zetten, maar langzaam steeds meer ontspannen.
Wat die twee mensen namelijk vertellen, waren namelijk helemaal geen gekke dingen. Het was puur praktische informatie, afgewisseld met al dan niet persoonlijke anekdotes.
Het ging over de weg naar roem, dat je als acteur of actrice in LA een stapeltje goede foto’s nodig hebt, een manager, een agent en een SAG lidmaatschap. Bij al die onderdelen komt het er op neer om niet op te geven, goed te weten wat je aan het doen bent en origineel te zijn in je benadering. Exact wat Dijanne mij zo vaak verteld had.
Op een gegeven moment werd ik zelf lichtelijk enthousiast en dacht echt iets te leren waar ik in Nederland wat aan zou hebben. Buiten pas bedacht ik me dat je in Nederland niet hoeft op te vallen te midden van honderdduizenden. Grote kans dat als je in Nederland iemand met aanzien mailt, dat je dan gewoon een mailtje terugkrijgt.

Na dik twee uur, waar ik bij tijd en wijle haast vergat dat ik daar zat als documentaire maker en niet als jongen die wil gaan acteren in Hollywood, kwam de man die achter mij stond naar voren en vroeg wie het werk van L. Ron Hubbard kende. Ik zei niet dat ik wel eens een boek van hem had gezien, maar hield me stil omdat ik wist dat nu het Scientology verhaal zou komen.
De man zei: ‘relax, ik zal jullie nu het Scientology verhaal vertellen. Jullie hebben net allemaal geweldige tips gehad van deze schitterende mensen, maar laat mij julie nu een persoonlijk verhaaltje vertellen.’
En hij vertelde over dat hij al een tijd op off-broadway werkte en hij nu uitgenodigd was voor een grote auditie voor een rol die op zijn lijf geschreven stond. Dat hij daar heel enthousiast over was, zich als een gek voorbereide, mentaal en fysiek. Helemaal zeker wist dat hij de rol zou gaan krijgen, maar tijdens de auditie ineens verstijfde, overmand door zenuwen als hij was en geen noot meer uit kon brengen. En dat hij totaal niet snapte hoe dat kwam. Ons groepje lachte, alsof we wouden zeggen, ja dat overkomt ons allemaal wel eens, zo’n rot auditie. Alhoewel ik denk dat zeker de helft van die mensen nog nooit een auditie had meegemaakt.

Die jongen vertelde dus dat hij in de put zat. Zijn rol die zijn carriere zou moeten openbreken was door zijn neus geboord, door zoiets oncontroleerbaars als zenuwen.
Maar, u raad het al, daar kwam de Scientology op zijn pad.

Een van de grote basis poten van de Scientology is het streven naar Clearness. Volgens de Scientology bestaan je hersens uit twee delen, de actieve en de re-actieve. Die re-actieve daar wordt al het pijn, al het trauma en al het dood opgeslagen. En die pijn kan zo groot worden dat niet alleen je re-actieve deel vol komt te zitten, maar zelfs je actieve deel.
Daar zijn vier stadia in. Eerst ben je gewoon blij, je hebt nog geen pijn gekend. Dan komt de woede als reactie op de eerste pijn, daarna angst als er nog meer pijn bijkomt en tenslotte apathie als je hele hersens vol zitten met pijn.
En wat doet de Scientology nou? Ze bieden cursussen aan waarin die pijn wordt weggehaald, ze zuiveren je, zodat je uiteindelijk weer Clear zult zijn. Een staat waarin je open, lief en blij bent. Waar je niet gehinderd wordt door plotselinge angsaanvallen, zenuwaanvallen of chagrijnigheid.
Het zou flauw zijn om Tom Cruise die op de bank bij Oprah springt een goed voorbeeld van Clear te noemen, maar ik ben nou eenmaal een beetje flauw.

Vervolgens moeten we allemaal iets opnoemen dat onze carrière in de weg staat. De angsten, onzekerheden en twijfels komen bij iedereen snel en gemakkelijk. Ook ik ben eerlijk geweest, iets wat bijna niet anders kan in zo’n situatie.
‘Nou, bedenk wat die angsten in de weg staat. Bedenk nu wat er zou gebeuren als je die angsten niet meer hebt. Hoe veel zou je daar voor over hebben ?’ De man die in zijn auto slaapt krijgt op dit punt tranen in zijn ogen.

‘Wie denkt dat dit systeem werkt? Ik wil graag handen zien van mensen die denken dat dit systeem werkt? Ik kan jullie nu een 10 daagse cursus aanbieden, waarbij je die tien dagen kan verspreiden over een periode zo groot als je zelf waarin je begeleid gaat worden door Joyce Wallace (de lesgevers zuchten even hoe geweldig Joyce Wallace is)? Wie denkt zo’n cursus te willen?’

En iedereen steekt zijn hand op. Ik merk dat het moeilijk is om niet je hand op te steken omdat je het dan oneens moet zijn met de cursusleider. En omdat er in het eerste uur al uitgebreid is gesproken over het belang van hulp aanvaarden in je carriere is dat heel moeilijk.
En wat er nu gebeurd doet me besluiten onmiddellijk weg te gaan. Eerder al in die les hadden de mensen geapplaudisseerd toen de mevrouw vertelde dat ze door met iemand te praten op de set van figurant werd gepromoveerd tot actrice en dat ze toen met een dagje werk 45.000 dollar verdiende. Iedereen applaudiseert, want dit is wat iedereen in die zaal wil. Een dag werken en 45.000 dollar verdienen. Geld.
Nu komen er na de vraag wie zo’n cursus denkt te willen zes mooie meisjes in het blauwe spijker uniform binnen om onze inschrijving voor de cursus officieel te maken. Ze nemen witte envelopjes mee waarop je gegevens moet schrijven en geld moet instoppen. Geld. Daar ging het eigenlijk de hele tijd om.

Ik sta op, bedank de leraren maar zeg dat ik nu echt weg moet gaan. Ze leggen uit dat we nog naar de filmzaal gaan om met zijn allen een filmpje te bekijken over de Church, maar ik zeg dat ik echt weg moet. Ze dringen aan, maar ik houd vol en dan spurt ik uiteindelijk weg. Mezelf onderdrukkend om niet te gaan rennen. En doodmoe van drie uur opletten (in beide betekenissen) kom ik thuis.

Drie dagen later word ik gebeld of ik nog interesse heb in de cursus. Ik weiger beleefd. Twee dagen later bellen ze nog eens zo herhalen ze dat nog drie keer, daarna sturen ze mailtjes. Persoonlijke mailtjes van Mark McPherson (hier is zijn imdb.com) waarin hij vraagt hoe het met me gaat en of hij iets voor me kan doen.

En ik kan me plots zo goed voorstellen dat als je hier zit zonder vrienden, zonder familie, zonder werk, zonder hulp dat je dolblij bent met een Mark McPherson die persoonlijk aan jouw vraagt hoe het met je gaat en of hij misschien iets voor je kan doen.
En ik ben blij dat Dijanne wel vrienden heeft en werk. En dat ze weet wat ze aan het doen is daar in LA. En vooral dat ze in niets lijkt op mijn tien medecursisten van die avond.

Drie dagen voor ik naar Nederland vlieg kom ik in een supermarkt die dikke man tegen die in zijn auto slaapt. Eerst herkent hij me niet, maar als ik aandring praat hij graag over zijn ‘pijnverwijder’ cursus. Je moet alles zelf doen en hij kan het iedereen aanraden. Nu had hij alleen geen geld meer, maar hij mocht gratis zo veel als hij wou in de bibliotheek studeren.
Dan verteld hij dat ik nog wel iets gemist heb die avond. Hij moest zijn autosleutels nog ophalen en stond bij een receptie te wachten toen hij zich omdraaide en recht in de ogen van de roodharige uit That 70 Show keek.
Ik knipper met mijn ogen, dat vind ik namelijk een van de mooiste vrouwen op de televisie. Was zij daar?
Ja, ze was daar. Hij had haar verteld dat hij zo’n grote fan van haar was en zij had heel vriendelijk tegen hem gedaan en gezegd dat ze bij de Church zo ontzettend aardig waren.

Ik kan het niet helpen dat ik even heel erg verdrietig word van dit nieuws. Zo’n leuk meisje. Ook zij was dus aan de bak gekomen dankzij het grote netwerk van de Scientology Church.

De man rekent zijn zorgvuldig bij elkaar gesprokkelde maaltijd van blikjes bonen en blikjes vlees af. Hij lijkt nog steeds gelukkig van de herinnering aan zijn ontmoeting. Dan geven we elkaar een hand en loopt hij naar zijn auto toe. Een klein busje met een matras. Hollywood - stad vol dromen.

Uit mijn geheime reisdagboek - deel VI

dinsdag, april 8th, 2008

Los Angels

7 april ’08

1. Als je Amerika zou willen beschrijven zou je denk ik moeten beginnen met te zeggen dat ze hier zebrapaden hebben. En auto’s. En dat verreweg de meeste mensen in een huis wonen. En dat over het algemeen de vrouwen hier twee ogen hebben. En de meeste mannen ook. En dat stoplichten weliswaar andere signalen hebben maar dat het nog steeds de bedoeling is dat als het bovenste lichtje brand dat je dan stopt en als de onderste brand dat je dan de straat over steekt.

2. Zo’n acht dagen geleden alweer arriveerde ik op het vliegveld van New York. Inmiddels weet ik een beetje hoe dat gaat. Je zit in een stoel en na zo’n acht uur vliegen, land het vliegtuig en sta je op, pakt je handbagage uit het bagagerek en je loopt naar de deur van het vliegtuig. Dan een gang door en je bent in een andere stad. Soms zelfs in een ander land, maar in dit geval was ik slechts van stad naar stad gevlogen.

3. Ik kwam de hoek om van de gang, met mijn jas en mijn handbagage, en stond plots in een tafereel dat ik niet licht zal vergeten. Als eerste dacht ik dat er ergens buiten, ergens waar ik was aangekomen, een ramp was gebeurd en dat deze ruimte, deze wachtzaal, want dat was het, dienst deed als tijdelijke evacuatiecentrum.

Overal lagen mensen, sliepen mensen, aten mensen, hingen mensen. Hun kostbare, bijeen geraapte spullen die ze van huis hadden meegenomen dicht tegen hun aan. In groepjes of alleen. Links en rechts wat gepraat van mensen die elkaar al goed kenden, maar over het algemeen keken alle mensen duf en verslagen voor zich uit. Als mensen die aan het wachten waren en die wisten dat ze nog lang zouden moeten blijven wachten.

Nou was ik al een beetje in een apocalyptische bui omdat ik de dag ervoor deze docu had gezien over de val van de dollar. De film was drie jaar geleden gemaakt en de bedragen waarover in de docu wordt gepraat zijn vandaag allang ingehaald. Als ik 200 dollar pin wordt ertussen de 120 en 130 euro van mijn rekening afgeschreven.

Ik heb medelijden met de democraten die nu het land mogen besturen, want dat het mis zal gaan (de Amerikanen lenen op dit moment meer dan drie miljard dollar per dag) lijkt onvermijdelijk. Ik moest aan Johnson denken, maar dat kan aan mij liggen.

Maar als het misgaat zal het waarschijnlijk er zo uitzien. Mensen in een zaal, hun bijeengeraapte spullen beschermend in een tas, die iets proberen te eten, te slapen en vooral zullen blijven wachten.

We zullen blijven wachten tot de mensen in het uniform zullen zeggen dat we aan de beurt zijn.

4. Er is iets vreemds aan de hand met dat geld in Amerika. Vooral in New York, maar eigenlijk overal. Niemand schijnt een idee te hebben hoeveel het nou waard is.

In LA heb ik een jongen die op een net te hip feestje veel te hip wou zijn, zijn 1 dollar briefjes de lucht in zien gooien. Zoals tweedeklassers vroegen stuivers in de kantine gooiden om te lachen als een brugger het zou oppakken.

Het verward me, net als ik denk dat acht dollar een biertje waard is, wat in de tenten die ik in Manhatten bezocht bijna overal het geval was, kom je een kroeg tegen waar hetzelfde biertje ineens maar een dollar kost.

Je krijgt je centen (een honderdste dollar) terug, maar betalen doe je er niet mee. Behalve kranten die kan je dan voor soms maar vijftig cent kopen.

Ontbijten kost al gauw tien dollar, maar je kan ook een broodje kopen voor 1 dollar. En het is niet dat je gewoon naar een goedkope wijk moet gaan of een goedkope tent. Er lijkt sprake te zijn van totale willekeur.

Als ik een amerikaanse stand-up comediant zou zijn zou ik nu in de zaal schreeuwen ‘make up your mind’ en de zaal zou lachen. ‘I’ll pay for it, just make a fucking price’ en de zaal zou klappen en joelen. Zo gaat dat hier in de Amerikaanse Comedyclubs.

Het is raar om te merken dat je op een dag geen enkele moeite hoeft te doen om er tweehonderd dollar doorheen te jagen, maar evengoed de hele dag voor nog geen tien dollar kunt eten.

5. Dat ik nog geen waarde gevoel heb bij een dollar is vooral lastig bij het tippen. Iets wat een belangrijk deel van de Amerikaanse economie uitmaakt. Je wordt geacht altijd 20% te tippen. Ook als je voor een heel gewoon dineetje in een restaurant al 120 dollar moet gaan betalen.

Die twintig procent wordt nogal strak aangehouden, tot op twee cijfers achter de komma. Ik doe dat nog niet, maar dat zal waarschijnlijk voornamelijk komen doordat ik nog geen geldgevoel heb hier. Ik maak er meestal gewoon het eerst hele bedrag van dat ik tegenkom als ik naar boven ga.

6. Het is iets waar de Amerikanen van schijnen te houden, bedragen pas bij het betalen erbij optellen.

Mij lijkt het simpeler dat als je afspreekt dat je 20% al dan niet onbelastbaar loon bij de kosten optelt, dat je dat dan simpelweg op je menukaart schrijft.

Om over de belastingen maar te zwijgen. De meeste bedragen die je ziet in de winkel zijn BTW-loos. Alsof de winkelier wil zeggen ‘het licht niet aan mij dat jij zoveel moet betalen, het is de overheid die op deze eerlijke prijs nog eens 15 procent bovenop telt.’

7. Heugelijk nieuws vanaf het thuisfront: Ik ben geselecteerd voor het International Feature Conference in juni in Bulgarije. En wel mijn vorige radiodocumentaire ‘in den vreemde’ over mijn tijd in België. Hij is vertaald als Abroad. Ik ken het festival nog niet precies, maar er zijn negentien documentaires uit heel de wereld geselecteerd die om de een of andere reden interessant zijn om over te praten, en wat er in ieder geval gaat gebeuren is dat die negentien worden beluisterd in groep en dat er daarna over gediscussieerd wordt.

Dat betekend dus een week in een hotel in Bulgarije, met radiodocumentairemakers van over de hele wereld.

Er zijn tijden dat ik denk dat ik voor het geluk geboren ben.

Uit mijn geheime reisdagboek- Deel V

woensdag, april 2nd, 2008

1. Wat zijn dan dat voor mensen, die Amerikanen? Die vraag krijg ik het meest. Zo ook van Wobbe Eibinga uit Haarlemmermeer. Dank je Wobbe. Uit Haarlemmermeer. En Justien Balt.
Het is gek maar tot nu toe heb ik alleen maar redelijke, intelligente democraten ontmoet. Iedereen die ik vroeg of ze op Obamma of Hillary gingen stemmen (iets wat ik het liefst aan zo veel mogelijk mensen vraag) konden me redelijk onderbouwd uitleggen waarom ze voor de een dan wel de andere was. Niemand zei tot nu toe, ik ga voor McCain.
Al die redelijke en intelligente antwoorden stellen me gerust. Ik heb altijd al wel geweten dat de wereld voor minstens de helft uit mensen zoals ik bestond.
Maar meer nog maakt het me nieuwsgierig. Nieuwsgierig naar die andere kant van Amerika. Naar die van de schietende scholieren, de boeroepende menigte bij het zien van een tepel, de bekrompen patrioten. Kortom naar de gefrusteerde amerikanen, de mensen die ik tot nu toe nog niet tegengekomen ben, maar ongetwijfeld de andere vijftig procent van Amerika vormen.

2. Over de eetgewoonte van de Amerikanen kan je met gemak een heel blog volschrijven. Iets wat ik niet ga doen. Ik schrijf al een blog vol over mezelf, iets waar ik toch iets meer zicht op heb.

Wel heb ik het volgende er over te zeggen: ik weet nog niet hoe het in New York is, maar tijdens de road-trip kreeg ik steeds het idee dat al die Amerikanen nog steeds aan het uitpuffen zijn van hun grote trek naar het Westen.
Het is het eetgedrag van iemand die doodvermoeiend thuiskomt na een dag hard fietsen en dan onder de stof en zweet neerploft en denkt: weet je waar ik zin in heb, een hamburger. Ik ga gewoon een grote lekkere hamburger eten.
Helaas voor die Amerikanen hebben ze niet een hele dag gefietst. En denken ze het gemiddeld zo’n drie keer per dag.
Een doorsnee Amerikaans dieet bestaat uit ’s ochtends wat cereals of helemaal niks, dan ’s middags een hamburger met frietjes en een zakje chips. En dan ’s avonds weer een hamburger met friet en een zakje chips. Daarbij wordt dan vaak per maaltijd een liter Cola gedronken.
Natuurlijk zijn daar allerlei variaties op, het hoeft niet altijd hamburger met frietjes te zijn. Zo hebben Thomas en ik eens ontbeten bij de Dennies waar ik twee eieren met kaas, twee worstjes, twee plakken bacon, twee geboterde toasten en geraspte aardappel kreeg voorgezet. En Thomas drie dikke plakken Wentelteefjes (French Toast) kreeg met een soort van vette slagroom, twee bakjes stroop en twee worstjes en twee plakken bacon.
Dat kan ook tellen als ontbijt.
’S Middags of s‘ avonds kan je ook Pizza of Taco’s eten.

Eigenlijk is het niet eens het dieet van iemand die doodvermoeid neerploft van weer een dag Pionieren. Eigenlijk is het het dieet van een zesjarige. Een zesjarige die denkt ‘nou moet ik nog vieze groenten eten van mijn moeder. Maar eens ik 18 ben, is het Pizza en Patat alle dagen!’

3. Het engels voelt nog niet echt comfortabel aan. Een gewoon gesprek aanknopen gaat wel en ook de krant en de Times kan ik lezen in het engels. Maar waar ik in het Nederlands bijvoorbeeld bij het vermoeider worden steeds meer woorden uit mijn vingers komen die je eigenlijk niet hoeft en eigenlijk ook niet zou moeten gebruiken(dat je bijvoorbeeld om volstrekt duistere redenen het gaat hebben over ‘plachten’ in plaats van proberen), daar ga ik in het engels alleen maar stotteren.

4. Ik heb wel een favoriet Engels woord opgedoken. Een Engels woord waar ik met jaloezie naar kijk. Het is maar klein, maar wat een klein ritmemakertje is me dat zeg.
Het gaat om het Engelse woordje ‘so’.
‘So’is meer dan zomaar ‘dus’. Het is een verhalen vertel gereedschap. Het is ‘welnu’ en ‘om kort te gaan’.
Vooral van ‘welnu’ is het jammer dat we de laatste tijd weinig horen in Nederland. Juist omdat het exact doet wat je van dat woord mag verwachten. Je vertelt een verhaal, dit en dat gebeurde en zegt dan. Wel, nu zit ik dus in die doos met die drie gebakken eieren op mijn hoofd zachtjes ‘ja dat is mooi man’ van het Mannenkoor Karrespoort te neuriën.
Welnu trekt je even naar het heden.

5. Er was een jongen met een heel goed tijdsgevoel. Je kon hem midden op de dag vragen ‘beste jongen, weet je misschien hoe laat het is’. En de jongen stopte zijn vinger in zijn mond, sloot zijn ogen en keek naar de straat en zou dan antwoorden: ‘jawel het is precies 12 uur.’
Of je kon hem ietsjes later vragen ‘hoe laat is het dan nu?’. En de jongen zou dan zijn hakken zachtjes tegen elkaar aan klikken en zeggen: ‘het is vijf over twaalf’.
Sterker nog, hij kon om het even wat voor handeling dan ook verrichten, feitelijk hoefde hij zelfs helemaal niets te doen en hij zat er nooit meer dan drie, minuten naast.
Het is een gave. Een talent.
Helaas voor die jonge, niet onknappe figuur stapte hij op een zeker moment in het vliegtuig naar de andere kant van de wereld. Laten we zeggen: LA.
Wat had hij daar weinig baat bij zijn feilloze tijdsgevoel. Al om een uur of vijf, zes ’s avonds werd hij moe en kon hij niet meer uitmaken of het nu vijf uur, zes uur of 2 uur ’s nachts was.
En net toen hij eindelijk een beetje was bijgekomen en langzaam zijn tijdsgevoel weer terug kreeg, stapte hij in het vliegtuig en vloog naar New York.
Wederom was zijn tijdsorientatie voledig door de war.
Met zo’n jongen hoeven wij geen medelijden te hebben. Een topadvocaat die uit misplaatst verlangen naar zijn jeugd een buitenboord beugel neemt, een voetballer die op trial and error anti-mijnen campagne gaat of een boer die naar de stad verhuist, verdienen meer sympathie.
Het is verkwanseling van zijn talent dat reizen. Niet meer en niet minder.

6. Blijf lezen, straks mee over de aankomst in New York, het verhuizen naar een andere hotel en de val van de dollar. Hier op freekvielen.nl

Zulke zinnen hoor je hier om de vier, vijf minuten op de tv. Niet dat deze website nou zo enorm populair is in de US, het was maar een voorbeeld. Het leuke van de reclame’s is dat iedereen zo bang is voor een aanklacht, dat ze ongeveer in de helft beginnen op te noemen waar hun product allemaal niet tegen werkt, wie het allemaal niet zou moeten nemen en wat de mogelijke risico’s zijn van het medicijn, lening of appel.
Een truc die ze gebruiken is dat tekstje heel erg snel laten afspelen. De mondelinge kleine lettertjes laten we maar zeggen. Weer een mooie Amerikaanse uitvinding.

Uit mijn geheime reisdagboek - deel IV

vrijdag, maart 28th, 2008

Sinds ik in Amerika ben is er nog geen moment geweest om terug te kunnen kijken. Ook nu probeer ik zo snel mogelijk te schrijven om zo weinig mogelijk te missen van het landschap waar we door heen rijden.
We rijden nu door de woestijn van de Nevajo Nation en naast het feit dat er links, rechts en voor reusachtige blokken en pilaren de hemel in rijzen, iets waar je door de onnatuurlijke natuurlijkheid naar kunt blijven kijken, lijkt het of de woestijn elke bocht verandert. Van rood, tot grijs, geel, groen je wilt niet weten hoe de woestijn steeds weer verandert. En mooi blijft.

We rijden in een autoreclame, eeuwige lange wegen waar je alleen maar vooruit kan, slingeren zich door de plateaus, de bergen en de woestijnen.
J.J Cale zit in de cd-speler, samen met Jim Croce, Johny Cash en Bob Dylan.
Als ik autoreclame zeg, denk dan alle negatieve associaties die je mogelijk daarbij zou kunnen hebben weg.
De ruimte en het landschap zijn overweldigend. Niet meer en niet minder. Thomas en ik houden onze monden dicht, niet omdat we niet willen of kunnen praten maar omdat je stil valt bij het zien van de stenen muren die naast je opdoemen. De rotsen die van de bergen gevallen zijn liggen in de berm en zijn groter dan wat wij een berg zouden noemen.
Het landschap is niet alleen groot maar ook haast surrealistisch. Stel je een bakje droog zand voor waar je met een schoen met grof profiel in hebt gestaan. Vergroot dat een keer of honderdduizend en misschien krijg je dan iets wat hier op lijkt.
Plots kan ik me iets meer voorstellen bij het feit dat de Amerikanen in grote auto’s rijden. En dat als je een cola vraagt in het restaurant dat je dan 1 liter krijgt. En dat als mensen je vragen hoe het met je gaat, dat je dan zegt ‘Great! Super!’ Je moet iets doen om niet te verdwijnen in deze grootsheid.
In Nederland is alles op mensenmaat gemaakt. En liever nog op de maat van een 12-jarige. Ieder jongetje kan naar de bibliotheek en de supermarkt fietsen. Als je vanuit je zolderraam kijkt zie je het volgende dorpje al liggen.
Misschien is het daarom dat ik in Nederland me zo weinig voor kon stellen van godsdienst, van iets dat groter zou zijn dan onze menselijke fantasie.
Nou blijf ik gewoon atheïstisch. Maar sinds deze trip geloof ik wel in iets dat ik bij gebrek aan beter maar overweldiging noem.

Uit mijn geheimde reisdagboek- deel III

woensdag, maart 19th, 2008

Grens Amerika.
14-03-08

Toen ik nog rugby speelde, eind jaren negentig- begin van dit millenium, moest ik altijd wachten na schooltijd tot de trainingen begonnen om zeven uur.
Dit wachten gebeurde meestal in de bibliotheek waar ik wat huiswerk maakte of in de cd winkel waar ik achter elkaar hele cd’s luisterde (en vervolgens niet het lef had om gewoon weg te lopen, waardoor ik meestal de laatst beluisterde cd kocht –alsof ik na lang, lang zoeken eindelijk op precies de juiste cd was gestoten).
Soms ook ging ik al iets te vroeg naar het sportpark in haren waar ik dan wat voetbaltrainingen bekeek en eigenlijk gewoon wachtte.
In die tijd droeg ik een grote zwarte hoed, een veel te grote blauwe rib-jas, een one-size-only grote FuBu skate-broek en had een piercing en redelijk lang haar. Daarnaast liep ik nog lang niet zo recht als ik nu op mijn goede dagen loop waardoor ik er uitzag als een soort vormeloze klomp. Doordat ik doorgaans in diepe gedachte verzonken was (onderwijl lopend en naar de komende meter voor mij starend) werd mij verteld dat ik vaak een soort boze rimpel op mijn voorhoofd had.
En hoewel iedereen die mij kent u zult vertellen dat ik een van de vredelievendste personen op aarde ben, op het softe af, zijn er altijd wel mensen geweest die een beetje bang voor me zijn geweest. Vooral bar eigenaren hadden de neiging om dichtbij hun kassa te blijven als ik in mijn eentje zat te wachten tot het tijd was om te gaan rugbyen.
Het was een van die dinsdagen dat ik te vroeg bij het rugbyveld was dat er het volgende gebeurde: Het was middenwinter dus al vroeg donker geworden. Ik had zeker nog een uur te wachten en geen zin om bij het voetballen te gaan kijken. Ik besloot op het schommeltje te gaan zitten achter een klein bosje wat de verschillende sportvelden van elkaar scheidde. Twee meisjes op hun fiets reden voorbij me en ik groette ze beleefd. Daarna ging ik verder met wachten. Niet lang daarna kwam er een politie wagen het sportpark opgereden op wandeltempo en ze reden naar het bosje waar ik zat. Ze stopten, pakten hun zaklamp en schenen naar het bosje en daarna langs de andere speeltoestellen waar ik zat.
Daarna kwamen ze naar mij en vroegen uit het raampje van hun politieauto of ik misschien een vreemde man had gezien.
‘Nee’ zei ik, ‘Ik zit hier zeker al een uur. Misschien al twee, maar niemand vreemd gezien.’
‘Je zit hier al een uur?’, vroeg de politieman. Hij keek eens naar zijn partner.
‘En waarom zit je hier al een uur?’
‘Ik ben een beetje vroeg voor mijn rugby-training.’
Daarna daagde het mij. Die twee meisjes waren geschrokken van mij. Ik vond het al raar dat ze niet gewoon beleefd teruggroetten. Daarna hadden ze de politie gebeld. Ik was een vreemde man in de bosjes geweest voor een avond.

Nu stond ik in de rij voor de Amerikaanse Douane. Ik was inmiddels niet geheel vormeloos meer, maar door een samenloop van omstandigheden was ik niet meer in de gelegenheid geweest om mij te scheren en naar de kapper te gaan. Een beetje wild zag ik er uit. Ja dat mag je wel zeggen, een beetje wild.
Ik was zenuwachtig, ik moest namelijk een van de strengste grensbewakers twee kleine leugentjes vertellen. Ten eerste had ik op mijn visum aanvraag het adres van een motel geschreven en niet het adres van Dijanne waar ik de eerste twee weken zou logeren. Dijanne had dat liever niet en voor mij was het een kleine moeite.
De tweede leugen was mijn doel van de reis. Mijn hoofddoel hier in Amerika is het maken van een documentaire, maar als ik dat zou zeggen zou ik een speciaal journalisten visum moeten hebben. Iets dat ik niet had.
Van tevoren was ik al een beetje zenuwachtig geweest omdat ik de grens overging met twee microfoons, een lading lege MD’s, bijna 5 gig aan leeg Flash-geheugen en papieren waarin duidelijke letters radio opstond.
Ik zou zeggen dat ik samen met een vriend hier een roadtrip ging maken. Iets wat waar is, maar slechts voor negen dagen.
In de rij probeerde ik de douane-beambte te bestuderen. Ik had gezien dat er eentje was die veel minder tijd nam voor hij zijn stempel zette dan de rest. Ik besloot om bij hem in de rij te gaan staan.
Na vijf minuten in die rij kwam ik echter tot de ontdekking dat de rij zich splitste in twee rijen en dat zijn collega juist extra lang de tijd nam. Iets wat me niet geheel geruststelde. Ik probeerde op te letten of hij een soort procédé had qua werk. Wanneer in de ondervraging hij vroeg om de fingerprints en wanneer de foto gemaakt moest worden. Zodat ik niet te vroeg mijn opluchting zou laten zien. Helaas voor mij, had deze douane beambte geen procédé. Het was een goede douanebeambte, dat kon je zien.
‘Where you going’
‘To the US’
‘I know that, where in the US’
‘LA’
‘what you’re going to do?’
‘Holliday’
‘What kind of holliday’
‘I’m going to make some kind of road trip’, hakkelde ik.
‘Some kind of road trip, huh?’
‘Yes that’s right.’
‘You’re traveling alone’.
‘Yeah but there’s there already a friend of my, with whom I’m going’
Van tevoren hadden mensen mij gezegd zo min mogelijk informatie te geven, alleen maar te antwoorden op hun vragen. Maar ik heb geen rijbewijs en het leek me handig om het niet nog ingewikkelder te maken door nog meer dingen te verzinnen dan dat de waarheid al bood.
Afijn het kruisverhoor duurde nog voort, waar die vriend dan vandaan kwam, waarom hij er nu al was, waar de road-trip heen ging, wanneer ik terug ging. Onderwijl zat hij constant door mijn paspoort te bladeren en te kijken of er geen briefjes inzaten, geen nietjes uitgehaald waren of de bladzijden niet te los. Wat mijn beroep was vroeg die. Acteur zei ik maar. Hem woordkunst uitleggen leek me iets te veel van goede. Welke films had ik ingespeeld dan. Ik deed theater. Een minzaam lachje volgde, wat ik hem maar vergaf. Hij leek geenszins van plan me door te laten.
Hij stopte mijn paspoort en vliegticket in een rood mapje, schreef wat op mijn visa-aanvraag en verwees me door naar de secundary investigation.
Kut, dacht ik.
Ik liep met mijn handbagage met opnameapparatuur naar een klein gebouwtje waar een aantal officers achter een desk zaten. Ze keken niet op toen ik binnenstapte.
‘Hi’ zei ik ‘is this secendary investigation.’
De meneren achter het bureau keken niet naar mij, maar zeiden iets tegen elkaar. Ik vermoedde en hoopte dat het iets was in trant van ‘ah die Johnson (of hoe mijn douane-beambte ook moge heten) weer.’
Een andere beambte keek me aan en zei ‘First-timer huh?’
Ik kon het niet helemaal verstaan en hij herhaalde zijn vraag; of het mijn eerste keer naar in de US was.
‘Ja’ zei ik. Dat leek me niet verkeerd. Als ik slechts daarom naar hier doorgestuurd was.
Het interview begon van voren af aan. Wat ik ging doen, met wie, waarom en wat mijn beroep was.
‘I’m an actor” om er na enige twijfeling aan toe te voegen. ‘But I write as well. I am also a writer’.
Dat vond hij interessant.
Zijn mooiste vraag vond ik, waarom ik van al die steden in de wereld uitgerekend naar LA op vakantie wou gaan. Mijn antwoord dat ik acteur was bevredigde hem enigszins. Hoe kon het dan dat ik zes weken vrij kon krijgen van mijn werk. I’m a freelancer, sir. Of ik soms beroemd wou worden in Hollywood. No, zei ik. Je probeert hier toch geen werkt te vinden. Nee echt niet. Just holliday. You’re not planning to get into American Idol, aren’t you. No, sir. You’re not trying to become famous? You won’t join American Idol?
Dit leek me normaal een moment om grapjes te maken, of het ietwat te nuanceren. Dat als David Fincher me heel erg nodig had voor zijn nieuwe film dat ik het misschien zou overwegen. Maar gezien de omstandigheden leek het me beter om gewoon nee te blijven zeggen.
‘You can pick-up your luggage.’
Ik mocht gaan. Voor een seconde twijfelde ik waarnaar toe, maar ik begreep dat hij Amerika bedoelde. Geen ‘welcome to the US’, geen ‘enjoy your stay’ gewoon een simpel ‘you can pick up your luggage.’

Ik ben nu dus veilig aangekomen. En heb mijn haar geknipt en mijn baard getrimd. Toen de kapster klaar was zei ze ‘you look so much cleaner now’. Ze zei ook dat ik op Spider man leek, Tobey Maguire. En of Thomas (de vriend met wie ik mijn kleine road-trip ga ondernemen) mijn kleiner broertje was. Voor de duidelijkheid, behalve dat Thomas ook twee ogen heeft, wat haar en een gebruinde blanke huid lijkt hij in niets op mij.
Maar ik zie er nu wel presentable uit, zoals de Amerikanen dat zeggen, met mijn haren kort en mijn baard getrimd.
En hoe je het ook wend of keert, vanmiddag ben ik naar de American Academie of Dramatic Arts geweest om te vragen of ik een rondleiding kon krijgen en met wat mensen mocht spreken, het helpt wel als mensen je niet zien als een vreemde man in de bosjes, maar gewoon als een presenteerbare, frisse jongenman. Ik heb de rondleiding gehad en gesproken met russen, britten en mexicanen die daar op school zaten en allemaal droomde van een oscar of het worden van de nieuwe James Bond. Iets dat ze je zonder te knipperen met hun ogen vertellen. Maar daar later meer over.

Ergens achter aan in het boek Hotel New Hampshire van John Irving gaat de verteller met zijn vader naar de chicste bar van Wenen. Het hotel is in Wenen geflopt en de zoon voelt zich wat ongemakkelijk om met zijn gewone kleren naar zo’n chique tent te gaan. Zijn vader komt daar echter elke week om in zijn eentje een kopje koffie te drinken. En bij het binnen gaan van die tent ziet zijn zoon zijn vader voor het eerst met andere ogen. Zijn vader valt namelijk helemaal niet uit toon in die chique tent. Hij heeft geen pak aan, maar hij ziet er uit als een van die rustige miljonairs, die nu niet zoveel meer te doen hebben behalve miljonair te zijn en zich verder totaal niet druk maken om hoe ze er uit zien. Een bepaalde chiquness dat zich niet uitdrukt in nadrukkelijk rijke of mooie kleren.
Dat is een van de weinige redenen waarom het me tof lijkt om beroemd te zijn. Of heel erg rijk. Je kan dan gewoon je oude kleren aan hebben en plots heeft het iets mysterieus of op zijn slechts excentrieks.
Tot die tijd zal ik me zo nu en dan gewoon netjes kleden zodat ik fijn mensen kan interviewen en vlug grenzen passeren.

Uit het geheime reisdagboek- Deel II

zondag, maart 16th, 2008

Trein ter hoogte van de grens Duitsland Nederland
12 maart 08
20:45

De masterclass zit erop.
Vijf dagen lang heb ik met 12 trainees en 5 coaches in een grote studio in RBB in Berlijn gezeten. De Berlijnse Rundfunk.
Zaterdagavond begonnen we met een etentje in een Italiaans restaurant. Ik kende al 2 coaches van mijn schooltijd in Antwerpen en met één meisje (Vinny Tailor), mijn collega Nederlandse, had ik al twee emailtjes uitgewisseld.
Voor de rest kende ik niemand, maar dat was al meer dan de andere deelnemers.
De Litouwer, de Zweed, de Engelsman, de Tsjech, zij kende niemand.

Daar zit je dan op een zaterdagavond in een Italiaans restaurant in Berlijn.
Proberend een naam te onthouden, een gesprek te beginnen en vooral je engels te vinden.
Je kijkt rond en bent blanco.
Ik had nog geen idee wie aardig was en wie humor had, wie vrolijk en wie onzeker was.
Ik ben niet zo goed in eerste indrukken blijkbaar.
Mijn geluk was denk ik dat ik net een uit een intense groepservaring kwam. Bij het NNT had ik de week er voor een groep van zestig mensen leren kennen. Zodat ik niet persé nood had aan het ontmoeten van mensen. Ik kwam voor de masterclass en buiten die lesuren vond ik slapen ook een erg goed idee.

Maar wat gebeuren moest, dat moest gebeuren.
Vier avonden later zaten we met een grote groep in een Duits restaurant om te gedenken dat het de laatste avond was.

In die tijd was elk gezicht een naam geworden. En was elke naam een verhaal geworden.
Waren er plots op weg van het een naar het ander persoonlijke één-op-één verhalen verteld. (verlies van ouders, homoseksualiteit, verliefdheid; en hoe cliché dat nu ook achteraf klinkt, als het je verteld wordt blijven die verhalen ontroerend, persoonlijk en uniek. Arnon Grunberg zegt ergens heel terecht dat inhoud altijd cliché is. Dat lijkt me goed gezien van Arnon Grunberg, het gaat er om hoe het verteld wordt. En door wie.)
In die tijd was er ook al de Tsjech geweest die met tranen in zijn ogen meermaals had gezegd dat het zo fijn was om met zoveel veel fijne mensen dit mee te mogen maken.
Ik moest denken aan de huilende jongens en meisjes die de zondag daarvoor exact hetzelfde hadden gezegd toen ze afscheid namen van een week theatermaken bij het NNT.

Ik vind het fijn als zulke mensen erbij zijn. Die ontroerd kunnen raken omdat ze het fijn vinden. Ik weet eigenlijk niet precies wanneer dat voor mij de laatste keer was. Misschien wel op mijn 14de toen ik zelf als deelnemer mee deed aan het NNT.

Niettemin kon ik de woorden van de huidige deelnemers en de Tsjech onderschrijven.

Dinsdagavond aten we Duits in een volstrekt leeg restaurant van een slecht engels sprekende eigenaar/barman/ober bloemkool voor zeven euro en bier waar bananensap door werd gemengd. Een Duitse specialiteit die vooral in Kroatië zijn weerklank vond.

En wat gebeuren moest, gebeurde.

We begonnen te zingen. We dronken en we lachten.
Het idee kwam dat we elk een lied in onze eigen taal zouden zingen en plots bleek iedereen (zelfs ik) te kunnen zingen. Daarna werd er nog meer gezongen. De meeste liedjes bleek iedereen te kunnen zingen.

De volgende dag kwam ik er pas achter dat een liedje in je eigen taal een soort van opgelegde traditie is binnen het internationale radiodocumentaire wereldje, maar daar hadden wij geen weet van. Het is fijn om mee te maken dat sommige tradities uit vrije wil opnieuw worden uitgevonden.

En het gekke was van die avond dat zelfs al houdt je niet van avonden waarop je met een groep mensen in een leeg restaurant liedjes gaat zingen in je eigen taal, zelfs al houd je niet van de alcohol die lichtjes door ieders affectie walmt, zelfs al heb je ieder je eigen achtergrond en motivatie om mee te doen (van doorbreken van de sleur op het werk tot grenzeloze ambitie), ik genoot me suf. Die 12 afzonderlijke deelnemers waren in nog geen vier dagen tijd een groep geworden.
We kwamen allemaal uit een ander land, met allemaal verschillende sociale en economische omstandigheden maar we deelden allemaal een interesse en een leefwereld en de grote thema’s waar we in Nederland op dit moment mee bezig zijn bleken in heel europa te spelen. En ik weet niet of het door onze Eurosongfestivalachtige opzet van avond kwam, maar voor het eerst in mijn leven voelde ik mij Europeaan.

Half Warm Wit

donderdag, maart 6th, 2008

Een van de grote raadselen uit mijn korte leven in het algemeen en mijn middelbare school in het bijzonder, is toch wel het Half Warm Wit.
De lezers die met mij mijn schooltijd hebben gedeeld zullen allemaal nu even blij verrast met een glimlach terug denken aan het Half Warm Wit, de andere zullen reeds nu al (leer mij u kennen, ach, leer mij u kennen) naar beneden scrollen en wellicht zelfs de site verlaten. Er zijn daar cijfers over.

Ik zal het daarom kort houden, maar ik wil toch nog even denken aan het Half Warm Wit.

In de tweede en derde (als mijn geheugen me niet in de steek laat) van de middelbare school was het op een gegeven moment de gewoonte om in de pauze naar een pleintje achter school te gaan, het zogeheten Bleekveld. Het was mistroostigheid troef, betonnen huisjes om betonnen pleintjes met één wipkip, waar dan alle of bijna alle leerlingen van 2g zich verzamelde.

Pubers hebben honger en komen niet makkelijk uit bed komen waardoor er steeds meer mensen onvoldoende eten van huis kregen meegenomen. Gelukkig was er vlak voor de ingang van het bleekveld een klein bakkertje, waar nauwelijks vijf mensen tegelijkertijd in konden. Het was in dit bakkertje dat op een gegeven moment de gewoonte ontstond om elke pauze en in ieder geval in de grote pauze een half warm wit brood te kopen. Het Half Warm Wit. Dat was, voorzover ik weet een gewoon onversneden wit brood dat 35 seconden in de magnetron werd gedaan.

De koper die dit voor 1 gulden 75 had gekocht pakte dan de zak en hield die omhoog terwijl er om zich heen groepjes van mensen verzamelde. Soms werd er gevraagd of er mocht meegegeten worden, soms werd dit gewoon gevonden. Het kwam ook voor dat iemand zo’n half warm wit in zijn eentje op at.

Maar meestal begon een groepje te plukken in dat brood. Als een soort van lange ganzenhalzen gleden de handen gulzig de zak binnen en plukten dan een stuk wit brood eruit. Soms werd er eerst nog een bolletje van gedraaid soms werden de witte broodvlokken meteen opgegeten.

Dit werk werd zo zorgvuldig gedaan dat er slechts de korst overbleef, als een soort bak. Een korstbak.
Ook die werd uit elkaar gescheurd en opgegeten.

Niemand kent de eerste half-warme-wit besteller. Althans: ik niet. Het werd gegeten en besteld en steeds meer mensen aten en bestelden het. Soms vroeg iemand voor de verandering een half warm maisbrood. Vooral meisjes die het ongezonde eten wilde vermijden en het gezonde eten wilde opzoeken gingen experimenteren met halve warme bruine broden, halve warme tijgerbrooden en halve warme meergranen brooden.
‘Maar wat eet je dan?’ vroegen de moeders bezorgd.
‘Gewoon een half warm wit.’
‘Een wat?’
‘Gewoon een half warm wit.’
‘Wat is dat.’
‘Niks, gewoon een half warm wit brood. Laat nou mam.’
‘Maar hoe bedoel je een half warm wit brood.’
‘…’
‘…’
‘Laat nou.’

Zo ging het eigenlijk goed en er hoefde weinig te veranderen. Ik had denk ik nu nog steeds met mijn vrienden halve warme witte brooden gegeten als we na terugkomst van een schoolvakantie niet een dichte bakkerij hadden aangetroffen.
Er hing een boordje voor de deur waarop slechts ‘wij geven de pijp aan maarten’ opstond.
’s Avonds aan tafel vroegen wij ‘pap wat betekend dat eigenlijk: de pijp aan maarten geven’.
‘Nou’ zei hij en hij legde het uit.
De volgende dag beseften we dat het bakkertje waarschijnlijk volledig afhankelijk was geweest van onze bestellingen en daardoor de 7 weken zomervakantie niet had overleefd. Het bakkertje had op gehouden te bestaan. En daarmee ook het halve warme wit.

Wij hebben het allemaal nog wel eens geprobeerd, gewoon een half warm wit in de magnetron stoppen, maar het smaakte toch niet echt zoals toen.

Ik heb in mijn latere leven als ik weer twijfelend stond bij zo’n croissanterie met geitenkaas voor 4 euro 50 of tonijnsalade voor 4 euro vaak gedacht, stond er maar gewoon ‘half warm wit’ tussen. Dan kon ik lekker plukken. Maar die tijd is blijkbaar echt voorbij.

Kwijt

maandag, februari 11th, 2008

Ik ben mijn vriendin kwijt. Gister had ik haar nog, maar nu zou ik niet weten waar ze is. Ze is niet in de keuken, niet in mijn slaapkamer, ze is gewoon kwijt.
Waar ik haar voor het laatst gezien heb? Gewoon bij mij thuis op de bank, maar daar is ze nu niet meer. We zaten samen tv te kijken, ik kijk eens uit het raam, ik kijk nog eens uit het raam, let even niet op en nu is ze weg. .

Heb ik weer, dacht ik nog toen ik haar een maand geleden kreeg: een vriendin. Heb ik weer. Ik had namelijk daarvoor ook al een keer een vriendin gehad, maar ook die ben ik kwijtgeraakt. Nu had ik er dus weer eentje.

Ik ben ook een keer mijn fiets kwijt geraakt. Eigenlijk twee keer. Of eigenlijk bleek een keer dat hij niet kwijt was, maar gestolen.
Ik had hem ’s ochtends bij het treinstation gezet (ik fietste toen nog met de fiets naar de trein) en ’s avonds kwam ik weer terug (als het ware treinde ik toen met de trein naar mijn fiets) was die fiets weg.
Eerst dacht ik dat ik hem per ongeluk ergens anders had neergezet, maar toen ik goed nadacht wist ik, dat op exact het punt waar ik nu (toen dus) stond, ik die ochtend mijn fiets had neergezet.
Ik dacht; die is gestolen, terwijl ik ook had kunnen denken, ah mijn fiets is onzichtbaar geworden. Of de moleculen zijn uit elkaar gevallen (dat kan echt soms). Of hij is gewoon gaan fietsten (dit is een soort van woordgrapje) Maar dat dacht ik allemaal niet. Ik dacht gewoon, ah mijn fiets is gestolen.

Ik heb die fiets wel terug gevonden, een jaar later. Ik kwam ’s ochtends met mijn fiets bij de trein en toen ik die op slot zette, zie ik mijn oude fiets. Hij was wat ouder en er zat wat meer roest op maar voor de rest was hij nog gewoon net als een jaar geleden. Zelfs mijn stickers zaten er nog op, alleen een touwtje dat al heel lang aan de bagagedrager zat was er af.
Door mijn voor- en mijn achterwiel waren twee grote nieuwe sloten, die niet van mij waren, gestoken. Een gele ketting en een beugel slot.
Wat nu, dacht ik toen ik mijn nieuwe fiets naast mijn oude fiets op slot zette.
Mijn trein vertrekt zo.
Eerst dacht ik dat ik misschien zou wachten tot degene die nu dacht dat het zijn fiets was terug zou komen en dan zeggen dat het mijn fiets was. Maar het kon natuurlijk best nog een paar uur duren voor hij terug was, of een paar dagen misschien wel.
Of ik kan naar de politie gaan en zeggen dat dat mijn fiets is en vragen of ze dat nieuwe slot weg willen halen. Of ik kan zelf het slot door midden maken en de fietst terug stelen.

Maar dat deed ik allemaal niet, in plaats daarvan zette ik mijn nieuwe fiets goed op slot. Toen legde ik mijn hand even op de bagagedrager van mijn oude fiets. Ik keek naar het stuur, daarna naar het zadel. En ja, ik heb zelfs even in haar achterband geknepen. De band was goed opgepompt.
Mijn fiets zag er wel gelukkig uit. Een beetje ouder misschien, maar toch wel gelukkig.
Ik hoopte dat degene die haar gestolen had, heel erg arm was geweest en de fiets erg hard nodig had gehad om naar zijn werk te gaan. En nu uit dankbaarheid de rest van zijn leven de fiets erg goed zou verzorgen.

Sinds ik mijn vriendin kwijt ben denk ik steeds dat ik haar misschien ook wel een op het station tegen zal komen. Met een nieuw slot misschien wel (metaforisch gesproken dan).
Ik weet niet of ik dan wel zal wachten tot degene die haar getolen heeft terug komt om hem een klap te geven. Of dat ik haar wel terug zal stelen.
Misschien doe ik dan wel weer niks. Behalve even haar aanraken en kijken.

Nu ik er over nadenk heeft mijn vriendin nog wel iets gezegd op de bank, vlak voor dat ze kwijtraakte. Over dat zij de verliefdheid een beetje kwijt was. Of dat ze die misschien wel nooit had gehad. Misschien is ze daarom wel weg, dat ze die verliefdheid ergens aan het zoeken is.

Ik ben nu ook aan het zoeken naar verliefdheid, misschien als ik dat vind ik mijn vriendin ook meteen vind (als zij de goede kant opzoekt).
Ik weet niet precies wat verliefdheid is, maar ik denk dat het met missen te maken heeft. Missen en verlangen (wat een beetje het zelfde is, maar ook weer niet. Omdat je mist wat er niet is terwijl je verlangt naar iets wat je wil dat er komt)
Als verliefdheid missen is dan was ik niet verliefd toen ze er nog was. Maar als missen verliefdheid is, dan miste ik veel.
Ik vind dat een beetje verwarrend.

Winterjas

vrijdag, januari 18th, 2008

Nog nooit was ik zo slecht in iets
Als nu in het kopen van een winterjas

Het zit niet of het staat niet of het is te duur
En het stormt buiten en mijn internet ligt plat

Dus zoeken kan ik niet
En ook mijn vrienden hebben er geen over

Over het algemeen ben ik wel goed in dingen
Of ik wordt steeds beter in bijna alles

Alleen een warme winterjas die mij koesteren zou tegen kou en regen
Nee dat is inderdaad nog niet gelukt dat heeft u goed gezien lacht u maar

Maar he! Het stormt buiten en het internet ligt plat
En het zit niet of het staat niet en altijd is van alles altijd veel en veel te duur

De wind snijdt door mijn jasje dat in de zomer heerlijk koel is
En in de trein naar huis voor kerstavond heeft geloof het of niet

Ineens iedereen een winterjas hoe doet iedereen dat ineens
Tuurlijk ik laat niets blijken ik ga heus niet schreeuwen ik stap rustig de trein in

Zet mijn tas tussen mijn benen houdt mij in en zit bedeesd naast een man
Met ipod en een winterjas naar een oude vrouw te kijken

Mevrouw, mag ik u wat vragen. U ziet eruit alsof u een trotste oma bent
U heeft vast de oorlog zelfs nog meegemaakt dat was ook wat kunt u mij niet helpen

Vult u mijn lacune een leegte in mijn jeugd hoe heeft u die winterjas gekregen
Verrijk me met uw kennis laat mij mij laven aan uw bron elke winter weer zo’n winterjas

Wat zegt u in de winkel, maar mevrouw
Het zit niet of het staat niet en het is heel vaak te duur

Nee ik hoef ook niet te schreeuwen maar het stormt buiten
En het internet waar is dat internet gebleven

Conducteur kunt u mij niet helpen
Of lieve mensen in de trein doneert u mij een winterjas

Ik zal er goed voor zorgen
Het zal weer warmer zijn.

Een positief begin

zondag, januari 13th, 2008

Ik weet het, ik heb twee vrijdagen overgeslagen. Uw mailtjes, o lieve lezer (zo mag ik u wel aanspreken toch?) waren hartverscheurend (‘geef ons ons wekelijks verhaal’, ‘we missen je’) maar ook schrijvers van weblogs vieren de feestdagen. En ook schrijvers van weblogs zijn moe, zoals ik nu.
Toch is er voldoende te zeggen. Zo kan ik u melden dat ik nog steeds erg blij ben met mijn schoenen. Het zijn sneakers. Gympies, zo u wilt.
Ik heb lang op zwarte herenschoenen gelopen, maar door de aanhoudende goede verhalen over de sneakers (‘als ik mijn sneakers aandoe, voelt het als thuiskomen’) besloot ik twee maanden geleden om ook eens te proeven van deze nieuwerwetse schoenenmode. En tot groot genoegen.
Verreweg het meest waardeer ik aan deze schoenen dat de plastic uiteindes van de veters bij deze schoenen zijn vervangen door ijzeren uiteindes. Een kleine verbetering zou u denken, maar in werkelijkheid zijn het juist die ijzeren uiteindes die mij groot plezier verschaffen.
Ik ben nooit echt een goede veterstrikker geweest. Mijn strikdiploma is misschien wel een van de weinige diploma’s die ontbreekt in mijn groene mapje waarin ik mijn diploma’s bewaar.
Het gaat van zwemdiploma A naar zwemdiploma B en via het verkeersdiploma uit groep zeven maak ik een sprong naar de middelbare school.
Deze lacune in mijn opvoeding had altijd tot gevolg dat mijn snelloszittende veters vaak hard in aanraking kwamen met het wegdek. Iets, zo heeft de ervaring mij geleerd, plastic uiteindes niet lang overleven. De plastic uiteindes sneuvelden waardoor de veters algauw gingen uitrafelen. Niet lang daarna, als de veters steeds korter en korter sleten, kwam het moment dat een veter niet meer door het bovenste gaat kon. Wegens de grote rafeligheid kreeg ik het moeilijk weer terug door het gaatje, wat ik nog wel twee of drie keer poogde, maar algauw had ik me weer bezig te houden met nuttiger zaken en koos ik voor de een-na-beste oplossing: scheve strikken. De pasvorm van de schoen overleefde dit niet en het rubber liet los. Zo kwam het dat ik met toch redelijk chique schoenen vaak niet langer dan 3 maanden door kon. Maar aangezien ik mijn budget niet graag spendeer aan schoenen, of kleding in het algemeen, liep ik algauw zeven, acht maanden op schoenen die niets meer van hun aanvankelijke chique hadden weten te bewaren.
Hoe anders is het nu. De ijzeren puntjes zitten nog steeds fier op mijn veter en elke dag kan ik de schoen weer volledig goed om mijn voet binden. En, het mag u gerust stellen, mijn schoen ziet er nog steeds piccobello uit.
Toen ik vandaag op mijn reuzenstappers door het vondelpark liep en in gedachten mijn schoenen uitbundig prees, moest ik denken aan hagelslag. Of om preciezer te zijn: aan hagelslagpakken.
In mijn jeugd was het tuitje van die pakken van ijzer. Tegenwoordig is het van papier, met andere woorden; het hagelslagpak heeft een heel andere evolutie ondergaan.
En ook dat is een verbetering. 2008 beloofd een goed jaar te worden.
Ik herinner mij de vele secondes die ik als kind bezig was met het ijzeren tuitje van het kartonnen hagelslagpak te scheiden als ik het hagelslagpak bij het oud papier wou deponeren. Eerst het ijzer er af scheuren, dan dat ijzeren tuitje in de vuilnisbak gooien en dan pas het pak bij het oud papier kunnen leggen. Tegenwoordig is het weggooien van een hagelslagpak een peulenschil. We kunnen nu met één elegante zwaai heel het pak wegleggen.
Het zijn die kleine dingen die het leven zoveel aangenamer maken dan pak em beet 65 jaar geleden.
Maar het wordt nog mooier. Toen ik terugkwam van het vondelpark merkte ik dat ik een kleine splinter in mijn duim had. Het kleine stukje hout stak nog een beetje uit en zoals wij allen doen, deed ik. Ik probeerde het te pakken met mijn nagels van mijn andere hand.
En wat denken jullie? Meteen, bij de eerste nagelpoging trok ik zo dat hele stukje hout uit mijn duim.
Er was niets meer te voelen of te zien en ik wou alweer verder gaan met de dagelijkse gang van zaken tot ik plots besefte wat een groot geluk ik heb gehad dat ik die splinter meteen uit mijn duim kreeg.
Stel je eens voor dat dat niet was gelukt. Ik had opzoek moeten gaan naar een pincet, waarvan ik na een zoektocht in mijn kamer had moeten vaststellen dat ik die niet bezit, daarna had ik gezocht naar een naald, welke ik ook niet heb. Hij was er in blijven steken en had mij geïrriteerd elke keer als mijn duim iets vast had willen houden. Ik had waarschijnlijk moeten wachten totdat ik bij een van mijn meer bevoorrade vrienden thuis was geweest, waar ik omzichtig naar een pincet had moeten informeren.
Nee dan nu, ik was de splinter alweer bijna vergeten en zit nu dit te typen met een duim die waanzinnig lekker niet irriteert als ik op de spatie druk.
Het wordt een mooi jaar, dat 2008.

I saw the best minds of my generation

maandag, december 24th, 2007

I saw the best minds of my generation destroyed by madness, starving
hysterical naked,
dragging themselves through the negro streets at dawn looking for an angry
fix,
angelheaded hipsters burning for the ancient heavenly connection to the
starry dynamo in the machinery of night

Zo begint Alan Ginsberg zijn gedicht Howl. Het was in de vijfde klas dat ik Meneer Broekhoven had als leraar engels en hij gaf zijn passie door voor de Beat-generation. En dat doet ie nog steeds, getuige deze Hyves.
Ik las On the Road. Ik fluisterde Gather ye rosebuds while ye may, Old time is still a-flying in het voorbijgaan op het plein tegen vrienden en zei fluisterden terug And this same flower that smiles to-day, to-morrow will be dying.
We lazen elkaar nog net geen gedichten voor, we gingen niet bij een kaars saxofoon spelen, maar dat was slechts omdat we andere manieren hadden. We schaakten in het café, we dansten op Dylan en Berry.
Maar dit is geen stukje om de nostalgie te vieren. Het is bijna kerst, de dagen worden korter, maar we leven nog steeds.
Er is gelift, er is gevreeën en gedanst. Er is gelezen en gedacht. We zagen het graf van Jim Morrison en sliepen langs de snelweg.
Toch heb ik nooit het idee gehad dat ik ook maar in de buurt zat van het Beat-gevoel. Sterker nog ik kreeg er al vrij snel gemengde gevoelens over. Ik wou wel dragging to the negro-streats, maar alleen als ik dat nog een beetje kon combineren met school. Drugs, anders dan hash, heb ik bij een ervaring gelaten. Zoals ook in het lesboek ‘The Beat Genaration’ stond, we moeten niet vergeten dat Jezus op zaterdagmiddag een rookworst eet bij HEMA. Het lesboek stelde dat je heftige ervaringen kan gebruiken om je kijk bij te stellen op het ‘echte’ leven, maar dat je je niet in de heftige ervaringen mag verliezen. En verliezen is iets, zoals al mijn vrienden kunnen beamen, wat ik niet graag doe. Sterker nog, waar ik gerust een avond van kan balen.

De zin I saw the best minds of my genaration destroyed by madness speelt echter nog vaak door mijn hoofd. Op de middelbare school kon ik mij nog wentelen in de best minds of de vorige generaties. Jim Morrison was een held, Maarten Koning was een held en Sara had Che Guevarra.
Maar langzaam ben ik mijn eigen generatie geworden. De generatie die groot geworden is in de jaren negentig. Die nu tussen de twintig en dertig is. En ik heb er nu al dag of wat over nagedacht maar heb ze nog niet echt ontdekt The best minds of my genaration. Wij hebben Jami, Jim en een stuk of dertig gitaarbandjes waar snel geld in zit. Maar zeg het maar: wie zijn de scherpste geesten? Waar zijn ze?